Van een onzer correspondenten.

Katherina Reiche had nooit de rol van rebel binnen de Duitse politiek. Toch is ze dat nu geworden. Met haar oproep om opnieuw te kijken naar kernenergie breekt de Duitse minister van Economische Zaken en Energie met vijftien jaar politieke consensus — en met haar eigen reputatie als Fossil-Ministerin. Wat zij zegt, durft bijna niemand in Berlijn hardop uit te spreken: misschien is het tijd om het dogma van de Energiewende te herzien.

Tegen de politieke hypnose die de Energiewende geworden is.

Duitsland leeft met een politieke erfenis die tegelijkertijd visionair en problematisch is. Na Fukushima sloot Angela Merkel de deuren van de laatste kerncentrales en zette het land vol in op zon, wind én… gas uit Rusland. Dat laatste werd gepresenteerd als overgangsbrandstof, de brug naar een groenere toekomst. Maar de brug bleek instabiel toen Moskou de gaskraan dichtdraaide. Wat rest, is een industrie die kreunt onder torenhoge energiekosten en een beleidsapparaat dat te traag reageert.

Reiche’s oproep komt voort uit die realiteit: een Europa dat zucht onder geopolitieke onzekerheid, een Duitse industrie die marktaandeel verliest en een bevolking die de prijs van idealisme op de energierekening ziet terugkomen.

Kernenergie was lange tijd het Duitse groene taboe. Het symbool van risico, afval en onomkeerbaarheid. Maar de wereld van 2026 is niet meer die van 2011. Terwijl Frankrijk, Polen en zelfs het Verenigd Koninkrijk investeren in nieuwe reactoren, houdt Duitsland vast aan een symbolisch zuiver energiebeleid dat de afhankelijkheid van import alleen maar vergroot. Reiche’s pleidooi legt de vinger op die wond: duurzaamheid zonder zekerheid is een illusie.

Liever trager verduurzamen dan sociaal-economisch bezwijken onder het gewicht van onhaalbare doelen.

Dat is geen pleidooi vóór kernenergie uit nostalgie, maar tegen de politieke hypnose die de Energiewende geworden is. Duitsland heeft een beleid gebouwd op morele zuiverheid, niet op strategische robuustheid.

Reiche wordt door milieubewegingen verguisd, maar door de industrie omarmd. Dat dualisme legt een dieper probleem bloot: de Duitse politiek is gevangen tussen morele ambitie en economische noodzaak. Haar voorstel om klimaatdoelen te herzien en het verbod op verbrandingsmotoren uit te stellen past in dezelfde logica van herijking. Ze kiest voor een pad dat niet mooi oogt, maar misschien wel eerlijker is: liever trager verduurzamen dan sociaal-economisch bezwijken onder het gewicht van onhaalbare doelen.

Wat Reiche in feite doet, is de ongemakkelijke vraag stellen die haar voorgangers uit de weg gingen: wat weegt zwaarder — de morele symboliek van de Energiewende, of de strategische autonomie van de Duitse economie? Dat ze daarmee heilige huisjes omverwerpt, wekt ergernis op. Maar de echte radicaliteit zit niet in haar pleidooi voor kernenergie. Die zit in haar weigering om langer te doen alsof Duitsland het zich kan permitteren géén discussie te voeren.

In dat opzicht heeft de Fossil-Ministerin iets paradoxaal progressiefs: ze eist eerlijkheid. En in het huidige Duitse debat is dat misschien wel de meest schaarse energiebron van allemaal.

***