Een bijdrage van Kees le Pair. 15-7-2020

En voor dat alles ook wetenschappers, die het bestrijden. Hoe kan dat? Over de vleeshetze komt de strijd nog maar net op gang. Daarover verscheen dezer dagen een leerzaam artikel op Climategate(1).
Een chemicus zei mij eens, zolang de chemie geen fysica is, weten we het niet. Ik dacht dat hij mij wilde vlijen. Hij kwam om geld voor zijn onderzoek. Maar dat bleek niet het geval. Hij legde uit, wat hij bedoelde. Het bleek dat hij het oog had op de diepte van de kennis. Ik dacht aan de mechanica van Newton, waarvan we enkele eeuwen – en nog steeds – nuttig gebruik maken, al is die niet geldig in de gekromde ruimte, waarin wij leven. En aan het atoommodel van de elektron ontdekker, J.J. Thomson, dat tuimelde door Marie Curie-Slodowska, Niels Bohr en anderen. En ik raadde hem voor zijn gedachten het woord “fysica” niet te gebruiken, maar over die “diepte” te spreken.
De enige wetenschap die vaster staat dan een rots, is de wiskunde. Maar alleen wanneer je die niet vereenzelvigt met de waarnemingen. De Euclidische meetkunde is onaantastbaar, al is hij niet geschikt om de omringende ruimte in finesse te beschrijven. (Wat Euclides denkelijk wel meende te kunnen.) Wiskunde is een niet te evenaren middel om waarnemingen te beschrijven. Maar over de geldigheid hebben slechts waarnemingen het laatste woord. En die waarnemingen zijn er vaak nog niet. Onze kennis is dan niet diep genoeg.
Alles om ons heen heeft oorzaken en gevolgen. Sommige kun je waarnemen, van andere hebben we (nog) geen notie. Dat maakt ze onbegrijpelijk. En dus grijpen we voor begrip naar fenomenologie. We poneren een oorzaak of een gevolg. En indien zorgvuldig onderzoek de onderstelling ogenschijnlijk bevestigt, hebben we een redelijk bruikbare verklaring. Dat werpt vruchten af. Voorbeelden te over. Medici hebben ontelbare mensen genezen zonder dat ze een notie hadden van cellen, laat staan van biochemie of biofysica. De knappe onder hen hadden zeker niet verzuimd na te gaan of hun middelen genezing brachten, al wisten ze niet waarom.
Ik trek dus mijn neus niet op voor fenomenologie. In de diepste zin, danken wij alles wat we kunnen er aan, net als onze kennis over gevolgen van verschijnselen. En zo lang die kennis niet diep genoeg is, zullen wetenschappers elkaar bestrijden.
Toen ik nog pas kort bij het bestuur van het onderzoek was betrokken, hadden kernfysici net methoden gevonden om minuscule hoeveelheden van stoffen te midden van enorme hoeveelheden andere te detecteren. Een van onze instituten had daar een belangrijke bijdrage aan geleverd. Tijdens een bezoek aan de directeur, Aaldert Wapstra, feliciteerde ik hem met hun vondst. Hij keek me peinzend aan. “Of we daar echt zo blij mee moeten zijn? Ik weet het niet.” Ik was verbaasd. Over de hele wereld verschenen enthousiaste krantenartikelen over deze vooruitgang in de wetenschap. Hij zei: “Kan je je voorstellen, wat het betekent, afzonderlijke atomen in alles wat we hebben, eten en gebruiken te ontdekken? Voor je het weet is alles vergiftig. Dan mag er niets meer.”
Wapstra had een vooruitziende blik. Zijn woorden herinner ik me als verstokt roker voortdurend. Vooral wanneer ik € 17,50 moet betalen voor 50 g pijptabak, wat in die tijd 60 ouderwetse centen kostte. Tabakskwekers en producenten nu zouden het graag voor € 1,00 in de winkel willen verkopen, indien er geen belasting zou worden geheven. Mijn longarts waarschuwde: “Zelfs bij iemand die zelf nooit heeft gerookt, kunnen we na zijn dood nog vaststellen dat hij een dagje bij een roker thuis is geweest.” Ik vertelde, waarvoor Aaldert mij had gewaarschuwd. Hij lachte en zei: “Ja, de gevaren zijn misschien wat overdreven. Of jouw gewoonte voor jou dodelijk is, weten we eigenlijk niet. Doe het kalm aan.”
Nu is mijn tabaksslijter niet langer een neringdoende middenstander. Het is gewoon een bijkantoor van de belastingdienst. Daarom twijfel ik ook niet, of over een tijdje kan je ook bij de slager net als bij de drankwinkel je belasting voldoen. Bij het tanken van benzine of voor de stroom van mijn computer gaat nog maar ongeveer de helft van het geld naar de CO2-kerk. Maar ik zal er niet van opkijken als het over een tijdje de tabaksabsurditeit overtreft.
De geschiedenis van de rookhetze is leerzaam. Ik vrees dat die van het vlees net zo zal verlopen. Ook bij het roken was er strijd over het gevaar onder wetenschappers. Die is nog steeds onbeslist. Tot op heden weten we niet wat het gevaar is voor het individu en hoe het afhangt van hoeveelheid en wijze van roken. Mijn grootvader was in zijn eentje een dagje op stap. Bij thuiskomst riepen zijn maten hem om mee te komen biljarten. Hij antwoordde dat hij zo kwam, stak de sleutel in het slot van zijn deur en zakte in elkaar. Hij was toen 95 en had tot op het laatst van zijn borrel en een sigaartje genoten. Het blijft een raadsel wat hij die dag had uitgespookt.
“Wij weten het niet” betekent geenszins dat we niets weten. We weten echt wel dat zware rokers meer kans hebben op longziekten en een vroege dood dan niet-rokers. Maar we weten eveneens dat mensen die niet roken ook longkanker krijgen. Met “we weten het niet” bedoel ik, dat we niet weten òf en wanneer een bepaald persoon, die zo en zoveel rookt, er aan zal sterven.
Epidemiologen, van wie veel van de wèl bestaande rookkennis komt, hebben moeite met het overigens universele verschijnsel “hormese”. Ze camoufleren wat ze niet, of nog niet echt, kunnen meten met een veronderstelling, die zij een theorie noemen, LNT. Ik schreef daarover al eens een kroniek die ik hier niet ga herhalen. Het komt neer op elk “beetje gevaarlijk” vergroot de kans op narigheid. Flauwekul, hun theorie is bewezen onjuist. Bij alles wat ik bedenk, is “te veel” ongunstig en “te weinig” ook. Omdat “weinig” moeilijker te meten is dan “veel” roepen ze dan maar het LNT-evangelie te hulp.
“Gevaar” is trouwens een onhanteerbaar begrip. In het verkeer sterven jaarlijks enkele honderden mensen in ons land. Verkeer is dus gevaarlijk. Maar zonder verkeer sterft vrijwel de hele bevolking de hongerdood. “Gevaarlijk” zegt dus eigenlijk niets. Het gaat er om, hoeveel, waardoor, en hoe afhankelijk van meer of minder. Er is dus diepere kennis nodig dan “dit is gevaarlijk” om zinnig beleid te maken.
Het is niet verstandig je uitsluitend te voeden met vlees. Mensen die dat doen, leven niet lang. Maar vlees bevat bestanddelen die we nodig hebben. Die komen ook wel voor in andere eetbare waar, maar soms te weinig, of wel voldoende, maar slecht opneembaar.
Kees le Pair.
Over “gevaar” hebben we echter wel één zekerheid. Het trekt aandacht. En dat is wat alle ijveraars graag willen om hun al dan niet nuttige ideeën ingang te doen vinden. Sinds jaar en dag proberen vegetariërs ons van het vlees af te krijgen. Ze kregen hun zin niet en hun aanhang stabiliseerde. Net als de anti-alcoholisten kregen ze te maken met de maatschappelijke tegenkracht van lustbehoeften. Nu hebben ze een nieuw wapen, gevaar! Vlees en andere dierlijke producten veranderen het klimaat en daaraan gaat de wereld ten onder. Net als aan CO2 en atoomstralen. Of het waar is en hoeveel, hoe lang, wat het doet en of we zonder kunnen, is niet van belang. Het begrip “gevaar” alleen is genoeg. De argumenten verzinnen ze onderweg wel. Je roept hartkwaal, kanker of obesitas en laat anderen maar uitzoeken, dat dat onzin is. Wanneer daar te veel naar geluisterd wordt, verzin je een stervende ijsbeer of een hittegolf en dan zijn de critici weer een tijdje doende de onzin daarvan aan te tonen. Alles dient hun vegetarische zaak, wanneer GEVAAR maar doordringt.
Daarom denk ik dat we over een paar jaar ook onze belasting bij de slager gaan betalen!
Noot: