De zondagse beschouwing van Jan van Friesland.
12-10-2026
De AFM mag klimaat niet tot een politiek sturingsinstrument maken
De Autoriteit Financiële Markten (AFM) hoort toezicht te houden op eerlijke markten: op misleiding van beleggers, onjuiste productpresentatie en verwaarloosde financiële risico’s. Maar de hype rond klimaat heeft die taak langzaam veranderd. Wat begon als aandacht voor klimaatrisico’s en duurzaamheidsinformatie, dreigt uit te groeien tot een instrument waarmee de toezichthouder de richting van de economie bepaalt. De AFM mag klimaatrisico’s beoordelen en valse groene claims bestrijden. Maar zij mag niet beslissen welke sectoren nog financiering verdienen, welke bedrijven toegang tot de markt hebben of hoe snel Nederland moet ontgassen.
AFM: jongens, de energietransitie moet sneller!
AFM mag niet stilletjes meewerken aan een systeem waarin nieuwe kolencentrales, olievelden of ‘pure’ olie- en gasbedrijven niet langer als risicovolle activiteiten worden beoordeeld, maar als moreel ontoelaatbare activiteiten die vanzelf uit de financiering verdwijnen.
ABN AMRO sluit bepaalde fossiele activiteiten uit van leningen en rekeningen; ING trekt zich terug uit financiering van pure olie- en gasbedrijven. Dat zijn beslissingen van banken zelf. Maar wanneer toezicht, labels en rapportage-eisen die beslissingen belonen en alternatieve keuzes bemoeilijken, verandert een marktkeuze in een beleidsnorm.
Klimaatbeleid is een politieke opdracht. Het gaat om keuzes die de hele samenleving raken: het tempo van de energietransitie, de toekomst van de industrie, de kosten voor huishoudens, werkgelegenheid en de concurrentiepositie van Nederland. Die keuzes horen bij de regering en de Tweede Kamer — niet bij een onafhankelijke toezichthouder.
De AFM heeft een geheel andere opdracht: zij bewaakt marktgedrag. Als een fonds beweert ‘klimaatneutraal’ te zijn maar dat niet kan onderbouwen, moet de AFM ingrijpen. Als een bank klimaatrisico’s negeert die de waarde van haar kredietportefeuille aantasten, is dat eveneens een financiële kwestie. Maar daar eindigt de taak. Het gevaar zit in de tussenruimte. Wanneer klimaatnormen worden vertaald naar rapportage-eisen, risicoscenario’s, duurzaamheidslabels en financieringscriteria, lijkt het toezicht technisch. In werkelijkheid bepaalt het dan mede welke activiteiten kapitaal aantrekken en welke worden afgestoten. Dat is geen neutrale administratie meer, maar economische sturing.
De kritiek komt niet alleen van klimaatsceptici. Zij komt ook van mensen die juist binnen de financiële sector hebben gezien hoe snel duurzaamheid verandert van risicobeheer in morele boekhouding.
De AFM zelf formuleert haar ambitie opvallend normatief. In haar werkagenda schrijft zij: ‘Elke vertraging verkleint de kans op een spoedige en ordelijke transitie naar een duurzame economie.’
Dat is geen neutrale constatering over marktmisbruik, maar een beleidsdoel: jongens, de energie transitie moet sneller! Een gedragstoezichthouder mag die overtuiging niet hebben en mag er geen toezichtspraktijk van maken.
Er is een dieper probleem. In de financiële wereld worden klimaatdoelstellingen — vooral die van het Akkoord van Parijs — zelden behandeld als politieke doelstellingen. Zij gelden als vaststaand vertrekpunt. Economen, risicomanagers en toezichthouders rekenen vervolgens terug: welke belastingen, technologische sprongen en kapitaalstromen zijn nodig om ‘net zero’ of ‘well below 2°C’ te bereiken?
Dat is goed zichtbaar in de zogenaamde NGFS-scenario’s, ontwikkeld door een netwerk van centrale banken en toezichthouders. Zij zijn uitgegroeid tot de gemeenschappelijke taal waarmee banken, verzekeraars en beleggers klimaatrisico’s in kaart brengen. De ‘orderly transition’-scenario’s veronderstellen juist dat ambitieuze klimaatpolitiek vroeg wordt ingevoerd en geleidelijk wordt aangescherpt om de Parijse doelen te halen.
Daarmee is de kernvraag al beslist voordat de analyse begint. Niet: zijn deze doelen politiek haalbaar, wetenschappelijk voldoende onderbouwd en economisch verstandig? Maar: hoe krijgen we ze voor elkaar? De doelstelling is geen hypothese meer, maar een norm. En een norm die als vanzelfsprekend wordt aanvaard, stuurt modellen, prognoses, beleggingsbeslissingen en uiteindelijk ook de toegang tot financiering.
Het verschil met de Algemene Rekenkamer maakt duidelijk waar de grens ligt.
Dat betekent dat de ‘objectieve’ cijfers rusten op een keten van keuzes: een klimaatdoel, een beleidspad, een technologieverwachting, een discontovoet en een modelkeuze. Wie die keten niet openlegt vanaf het begin, presenteert geen neutrale risicoanalyse, maar een politiek geladen toekomstbeeld in de taal van spreadsheet en scenario.
De kritiek komt niet alleen van klimaatsceptici. Zij komt ook van mensen die juist binnen de financiële sector hebben gezien hoe snel duurzaamheid verandert van risicobeheer in morele boekhouding.
De vergelijking met andere domeinen maakt duidelijk waarom dat problematisch is. In het kankeronderzoek worden behandelingen niet vastgesteld op grond van een politiek ideaal, maar op basis van klinische trials, replicatie, peer review en voortdurende herziening. In de mobiliteit worden verkeers- en emissieprognoses periodiek geconfronteerd met werkelijke verkeersstromen, reistijden en metingen. Als een model structureel misgaat, wordt het bijgesteld.
Uitsluiting doet de rest.
In de klimaatfinanciering ligt dat anders. De einddoelstelling wordt vaak niet getoetst aan een alternatief, maar als uitgangspunt genomen. Onzekerheid wordt wel erkend in voetnoten en methodologische bijlagen, maar verdwijnt vervolgens uit de besluitvorming. Zo ontstaat een asymmetrie: de doelstelling is politiek, maar de gevolgen worden gepresenteerd als technisch noodzakelijk.
Het verschil met de Algemene Rekenkamer maakt duidelijk waar de grens ligt. De Rekenkamer is een Hoog College van Staat dat de rechtmatigheid, doelmatigheid en doeltreffendheid van rijksinkomsten en -uitgaven onderzoekt. Zij mag klimaatbeleid bekritiseren, alternatieve beleidspaden aan de orde stellen en de Tweede Kamer van onafhankelijke informatie voorzien. Haar macht is analytisch: zij kan de politiek ter verantwoording roepen, maar geen bank, fonds of verzekeraar sanctioneren.
De AFM heeft een andere positie. Zij is geen parlementaire controleur, maar gedragstoezichthouder. Zij houdt toezicht op banken, verzekeraars, vermogensbeheerders, beleggingsfondsen en adviseurs. Zij kan onderzoeken, sancties opleggen, vergunningen intrekken en daarmee de toegang tot de financiële markt beïnvloeden.
Juist daarom moet zij terughoudend zijn met inhoudelijke klimaatnormen. Een Rekenkamer die de Parijse doelen ter discussie stelt, versterkt de democratische controle. Een gedragstoezichthouder die die doelen stilzwijgend tot maatstaf voor goed financieel gedrag maakt, verschuift een politieke beslissing naar de toezichtpraktijk.
Er is geen enkel voorbeeld waarin de AFM een sector bij naam heeft verboden. Dat hoeft ook niet. De uitsluiting gebeurt in de praktijk bij de bank, het pensioenfonds en de vermogensbeheerder. Maar de AFM bepaalt wel mee welke voorwaarden een fonds moet vervullen om zich ‘duurzaam’ te noemen. En wie niet aan die voorwaarden voldoet, valt buiten het label, buiten bepaalde portefeuilles en uiteindelijk buiten een groeiend deel van het kapitaal. Zo hoeft niemand te zeggen: ‘deze sector mag geen geld meer lenen.’ Het volstaat om te eisen dat een fonds ‘duurzaam’ is — en de uitsluiting doet de rest.
***

0 reacties :
Een reactie posten