Van een onzer correspondenten.

De Rijn heeft in Nederland een uitzonderlijk lage afvoer bereikt: een niveau dat teruggaat tot de droogte van 1947. Tegelijkertijd staan elders op aarde rivieren juist hoog of voeren zij meer water af dan gebruikelijk. Dat contrast roept een ongemakkelijke, maar noodzakelijke vraag op: als de menselijke CO₂-uitstoot de oorzaak is, waarom werkt die oorzaak dan kennelijk niet overal hetzelfde? Kijk eens naar de fluctuaties:

Februari 1929 (Historisch winter-laagterecord): De afvoer zakte naar een absoluut dieptepunt van 575 m³/s. Dit kwam door extreme vorst en ‘ijsgang’ (ijsdammen die de stroming blokkeerden).

November 1947 (Oud zomer/herfst-laagterecord): Door aanhoudende droogte zakte de gemiddelde etmaalgrafiek naar 620 m³/s. Dit gold decennialang als de maatstaf voor extreme droogte.

Januari 1995 (Extreem hoogwater): De Rijn bereikte bij Lobith een enorme piek met een afvoer van 12.060 m³/s. Dit leidde tot de grootschalige evacuaties in het rivierengebied.

Augustus 2026 (Nieuw laagterecord): Door een extreem vroege sneeuwsmelt in Zwitserland en aanhoudende hittegolven in West-Europa is de etmaalgemiddelde afvoer gezakt naar 614 m³/s. Hiermee is het historische droogterecord uit 1947 verbroken.

Het korte antwoord luidt dat CO₂ niet lokaal en op een tijdstip werkt zoals een schoorsteen, een lozingspijp of een plaatselijke warmtepomp. Koolstofdioxide mengt zich in de atmosfeer en beïnvloedt mogelijk enigszins de mondiale energiebalans: daarover is debat.

Het onderscheid in plaats en tijd raakt de kern van het klimaatdebat. Een lage Rijn bewijst niet dat menselijke CO₂-uitstoot invloed heeft. Maar evenmin bewijst een hoge Amazone, Brahmaputra of Yangtze dat CO₂ plaatselijk rechtstreeks een rivier ‘doet stijgen’. Tussen atmosferische opwarming en een gemeten waterstand staan tal van schakels: regenval, sneeuwsmelt, verdamping, bodemvocht, stuwmeren, landgebruik, rivierwerken en de seizoenscyclus.

Eén atmosfeer, verschillende rivieren

De Rijn bij Lobith ontvangt water uit een groot stroomgebied dat zich uitstrekt over Zwitserland, Duitsland en Frankrijk. In de zomer kan de afvoer sterk dalen wanneer er weinig neerslag valt, de bodem is uitgedroogd en sneeuw- en gletsjerreserves beperkt bijdragen. Dat is de hydrologische verklaring voor een lage Rijn; het is geen directe meting van de wereldwijde CO₂-concentratie.

Op hetzelfde moment kunnen rivieren momenteel elders uitzonderlijk veel water voeren. In wereldwijde rivieroverzichten worden onder meer de Amazone, Orinoco, Paraná en Madeira als hoog tot zeer hoog afvoerend weergegeven. Ook de Brahmaputra, Yangtze, Ganges, Mekong, Irrawaddy, Lena, Jenisej, Ob, Amur, Salween en Indus vertonen in delen van hun stroomgebied hoge afvoeren. In Europa valt de Wolga op (!).

Het toont wel aan dat ‘het klimaat’ geen uniforme machine is die overal dezelfde uitkomst produceert. Augustus valt bovendien in grote delen van Azië in het moessonseizoen. De Brahmaputra, Ganges, Mekong en Irrawaddy worden dan beïnvloed door omvangrijke seizoensregens, terwijl de Rijn zich in een veel drogere zomerfase kan bevinden.

.Van globale oorzaak naar lokale uitkomst

De menselijke bijdrage aan de stijging van CO₂ in de atmosfeer staat wetenschappelijk niet op dezelfde manier ter discussie als de vraag hoe een afzonderlijke overstroming of droogte precies ontstaat. De toename van CO₂ sinds het industriële tijdperk wordt voornamelijk aan menselijke activiteiten toegeschreven, en CO₂ versterkt volgens een groep wetenschappers de warmtevasthoudende werking van de atmosfeer. Andere wetenschappers spreken dit tegen.

Daaruit volgt dat iedere hoge rivierstand, iedere droogte of ieder extreem weergebeuren niet rechtstreeks aan CO₂ kan worden toegeschreven. Dat is precies waar sommige alarmistische formuleringen — ‘CO₂ veroorzaakt het hoogwater’ of ‘CO₂ veroorzaakt de droogte’ — tekortschieten. Zij verwarren een mondiale atmosferische precessen met een lokale gebeurtenis.

Een extreem hoge Brahmaputra vereist bijvoorbeeld een analyse van moessonregens, afvoer uit de Himalaya, bodemverzadiging en dambeheer. Voor een lage Rijn moet men kijken naar neerslagtekorten in het stroomgebied, verdamping, grondwater en de bijdrage van Alpenrivieren.

De ironie van het wereldwijde waterbeeld

Juist de gelijktijdigheid van hoge en lage rivieren maakt het klimaatverhaal ingewikkelder dan de slogans suggereren, zoals vaak gebezigd door NOS en KNMI. De Rijn kan een historisch lage afvoer hebben, terwijl de Amazone, Paraná, Brahmaputra of Yangtze hoog staan. In de Verenigde Staten, Myanmar, China, Vietnam, Pakistan en andere landen zijn rond deze periode bovendien overstromingen gemeld.

Dat is geen bewijs dat het klimaat niet verandert. Het is wel een waarschuwing tegen een te eenvoudig causaliteit-denken. De aarde beschikt niet over één wereldrivier met één wereldwaterstand. Zij bestaat uit duizenden stroomgebieden, elk met een eigen geografie, seizoen, infrastructuur en neerslagregime.

De lage Rijn en de hoge Brahmaputra zijn dus geen twee losse bewijzen voor een alarmistische theorie.

***