Van een onzer correspondenten

Er bestaat een merkwaardige vorm van politieke onmacht die zich graag voordoet als een treurig moreel gelijk. Zij spreekt in de taal van feiten, urgentie en verantwoordelijkheid, maar eindigt steeds vaker in herhaling, verontwaardiging, beschuldiging van mensen en machteloos zelfbeklag. De klimaatalarmist weet dat hij gelijk heeft — althans, dat zegt en vindt hij voortdurend — maar weet niet meer hoe hij dat gelijk moet omzetten in overtuigende politiek. Daarom wordt iedere droge berm een bewijsstuk, iedere hittegolf een vonnis en iedere twijfelaar een moreel verdachte.

Het klimaatargument wordt zo elastisch dat het alles verklaart — en daardoor uiteindelijk weinig meer verklaart.

Fossielenprofessor Jelle Reumer is daarvan een treffend voorbeeld. In zijn column bij Vroege Vogels beschreef hij gisteren hoe bomen in Nederland, België en Noordoost-Frankrijk al begin augustus bruin en verdord zijn. De robinia’s zijn ‘compleet verdord’, hazelaars staan bladerloos en alles oogt ‘als in een herbarium’. Vervolgens trekt hij de conclusie dat het klimaat ‘volslagen op hol geslagen’ is.

Klimaatverandering door een stijgend CO₂-gehalte is volgens hem ‘toch echt een feit’. Maar tussen de vaststelling dat de aarde opwarmt en de bewering dat ieder zichtbaar natuurverschijnsel rechtstreeks daarvan het bewijs vormt, ligt een wereld van wetenschappelijke nuance.

Voor afzonderlijke droogtes, overstromingen, bosbranden en stortbuien ligt de toeschrijving echter ingewikkeld: regionale omstandigheden, landgebruik, bodem, waterbeheer en natuurlijke variabiliteit spelen eveneens een rol. Maar professor toch: over stijgend CO₂-gehalte zijn veel wetenschappers juist positief.

Wie zegt dat alles door klimaatverandering komt, maakt zichzelf kwetsbaar. Niet omdat de onderliggende klimaatwetenschap daardoor helemaal verdwijnt, maar omdat de retoriek bij iedere afwijking kan worden ontmaskerd als overdrijving. Een natte zomer wordt dan geen te verklarend probleem voor het alarmisme, maar juist een nieuw bewijs van ‘extreem weer’. Een droge zomer idem dito. Het klimaatargument wordt zo elastisch dat het alles verklaart — en daardoor uiteindelijk weinig meer verklaart.

Reumer stelt zuchtend vast dat individuele offers nauwelijks zichtbaar effect hebben. Hij noemt zonnepanelen, isolatie, fietsen, treinreizen, minder vlees en biologische voeding. Toch blijft het ‘bloedheet’ en valt er (gisteren 16 augustus) ‘nog steeds geen regen’. Dat noemt hij een verlammende paradox. Maar strikt genomen is het geen paradox. Individueel gedrag verandert niet onmiddellijk de regionale temperatuur of neerslag. De paradox ontstaat pas wanneer persoonlijke consumptiekeuzes worden voorgesteld als een directe knop waaraan men zelf kan draaien om het weer te beïnvloeden.

Het publiek krijgt geen onderscheid tussen observatie, attributie, prognose en normatieve keuze. Alles wordt één doorlopende keten van hitte naar schuld en van schuld naar gehoorzaamheid.

Daarmee wordt de burger eerst aangesproken als redder van het klimaat en vervolgens geconfronteerd met zijn machteloosheid. Hij moet minder vliegen, minder autorijden, minder vlees eten, korter douchen en meer betalen — maar krijgt geen waarneembaar resultaat terug. Mag hij er nog wel zijn?

De teleurstelling is dan voorspelbaar. De burger ontdekt dat zijn morele offer vooral symbolische waarde heeft, terwijl de grote emissiestromen worden bepaald door energievoorziening, industrie, infrastructuur, internationale handel en geopolitieke verhoudingen.

De klimaatactivistische boodschap bevat daardoor een ongemakkelijke dubbele beweging. Enerzijds wordt de verantwoordelijkheid geïndividualiseerd: iedereen moet bij zichzelf te rade gaan. Anderzijds wordt erkend dat echte verandering alleen door collectieve actie en overheidsbeleid kan worden bereikt. De burger is dus tegelijk schuldige, consument, voorbeeldfiguur en machteloze toeschouwer.

Daar komt de toon van morele superioriteit bij. Wie niet meedoet, is een ‘klimaatontkenner’; wie fossiele brandstoffen gebruikt, beweegt zich blijkbaar als een lemming naar de afgrond. Gerrit Hiemstra formuleert hetzelfde mechanisme bondiger en harder wanneer hij oproept zo snel mogelijk te stoppen met benzine, diesel, kerosine, aardgas, steenkool en emissies uit de veehouderij. Heeft zo’n man nog een gelukkig leven? Zijn verwijzing naar bijvoorbeeld de recordhitte in het zuidwesten van de Verenigde Staten was gebaseerd op een reëel en uitzonderlijk warmte-incident: in maart 2026 werd in Arizona 43,3 graden gemeten, de hoogste Amerikaanse maarttemperatuur ooit geregistreerd.

De schuldigen worden steeds nadrukkelijker aangewezen, maar de noodzakelijke coalitie voor verandering wordt steeds kleiner.

Maar ook hier wordt een concreet weerfeit onmiddellijk omgesmeed tot een totaalpolitieke boodschap. De stap van ‘dit is uitzonderlijk warm’ naar ‘stop onmiddellijk met vrijwel alle fossiele verbranding, anders is dit onze toekomst’ is op het eerste gezicht retorisch, maar beweegt zich wetenschappelijk en bestuurlijk op het nivo van een verongelijkt kind. Een gebeurtenis kan passen binnen een door klimaatverandering warmer wordende wereld zonder dat zij op zichzelf de precieze omvang, oorzaak of beleidsoplossing bewijst.


Dat is de kern van de alarmistische verleiding: elk incident wordt een illustratie van de toekomst, terwijl de toekomst vervolgens wordt gebruikt om onmiddellijk beleid af te dwingen. Het publiek krijgt geen onderscheid tussen observatie, attributie, prognose en normatieve keuze. Alles wordt één doorlopende keten van hitte naar schuld en van schuld naar gehoorzaamheid. Volgens Hiemstra ligt het probleem bij de hogere inkomens.

Reumer stelt vervolgens een reeks terechte vragen. Waarom wordt de fossiele industrie nog gesubsidieerd? Waarom is er geen accijns op vliegtuigbrandstof terwijl de wijkverpleegkundige wel benzinebelasting betaalt? Waarom wordt een particulier staalbedrijf met miljarden gesteund? Waarom loopt de waterstoftransitie vast? Waarom is het stikstofprobleem jaren na de uitspraak van de Raad van State nog niet opgelost?

Maar deze vragen onthullen vooral de politieke onmacht van zijn eigen kamp. Wie jarenlang beweert dat de klimaatcrisis existentieel is, zou moeten kunnen uitleggen welke maatregelen haalbaar, betaalbaar en juridisch houdbaar zijn. In plaats daarvan klinkt de klacht dat de regering niet genoeg doet, niet snel genoeg beslist en voortdurend nieuw onderzoek verlangt.

De treurnisachtige kwaliteit van het huidige klimaatdiscours schuilt daarom in de herhaling van dezelfde diagnose zonder politieke doorbraak. Het alarm wordt luider, maar de beleidsinstrumenten worden niet beter. De schuldigen worden steeds nadrukkelijker aangewezen, maar de noodzakelijke coalitie voor verandering wordt steeds kleiner. Wie de burger voortdurend beschuldigt van vliegen, vlees eten en autorijden, moet niet verbaasd zijn wanneer die burger zich afwendt zodra hij merkt dat bestuurders tegelijk uitzonderingen maken voor industrie, luchtvaart en landbouw.

De onmacht van de klimaatalarmist is dus niet dat hij niets ziet. Hij ziet hitte, droogte en politieke traagheid. Zijn onmacht is dat hij die waarnemingen niet meer kan vertalen in geloofwaardige macht. Daarom blijft hij roepen, beschuldigen en voorspellen.

Gelukkig regende het vanochtend redelijk flink.

***