Over hoe de criminelen en onschuldigen van deze tijd cultureel bepaald worden, ter bescherming van het 'rechtsgoed' van de links-progressieve macht en moraal
Sietske Bergsma 14-6-2026
Het spookt in het strafrecht: beschermde minderheden, verdachte meerderheid
Toen ik twintig jaar geleden in Leiden afstudeerde en een tijdje als docent en later als advocaat ging werken kwam ik regelmatig in de rechtbank. Eerst met groepen studenten die een practicum vak bij mij deden, later in toga om verdachten bij te staan. Ik hield van deze kant van het recht: de juridische dikdoenerij, de prikkelbaarheid bij partijen verpakt in beleefde bewoordingen en de ernst waarmee de rommelige levens van verdachten in een serene setting werden getrokken.
Ik zag van alles voorbijkomen. Drugsverslaafden die van stelen hun werk hadden gemaakt, mannen die hun ex-partners niet met rust konden laten, notoire geweldplegers en vandalen, oplichters en beschonken bestuurders die “echt niet meer dan drie glaasjes” hadden gedronken. Je kon ze eigenlijk grofweg opdelen in drie groepen: de zelfkant van de maatschappij — de lastpakken en zielenpieten, voor wie een straf uitzitten voelde als een welverdiende pauze, de beroepscriminelen die de Opiumwet uit hun hoofd kenden en kat-en-muis spelletjes speelden met justitie — en de rest. De rest dat waren, en zijn nog altijd, de mannen en soms vrouwen die een min of meer normaal bestaan leiden, met een gewone baan of eigen bedrijf, die hun voortuintjes en sociale leven op orde hebben en toch de fout ingaan.
Denk aan ernstige verkeersdelicten, een uit de hand gelopen ruzie in de kroeg of op straat, en tegenwoordig ook: opruiende en discriminerende woorden gebruiken in het politiek rechtse milieu. Die laatste ‘criminelen’ bestonden indertijd nog niet, maar times have changed.
Ingrijpen in het debat
Hoewel die eerste twee groepen een veel grotere belasting vormen voor het justitieel apparaat en de samenleving veel meer kosten, gaan daar zelden de aandacht van de media naar uit. Dat is meer een zaak van de politiek, zegt men dan. Maar in die politieke ruimte rusten er zoveel taboes op de oorzaken en de omvang van het probleem dat het niemand echt wat kan schelen. Een Taghi of Holleeder, die eerder een soort bewondering oogsten, uitgezonderd.
En dat is verklaarbaar. De doorsnee beroepscrimineel, zeker als die van allochtone afkomst is, prikkelt niet de fantasie en het houdt de samenleving geen spiegel voor omdat de meeste mensen zich niet herkennen in zo’n leven. Hoe ‘gewoner’ de dader hoe meer Netflix-waardig het wordt. Hoe meer we ons met hem (en soms haar) identificeren, of hoe harder iemand in aanzien en status kan vallen, en dus tot de normalen gaat behoren, hoe groter de afschuw en de morele verontwaardiging. Zo werkt het ook met de vervolging van ‘gewone’ BN’ers, zoals Ali B. en Marco Borsato, die voor het oog van de natie in diskrediet raken. Die zijn wel zo’n spiegel omdat onze moraal op hen geprojecteerd wordt. Want niemand zou natuurlijk aan een te jong meisje zitten of zich opdringen aan een volwassen vrouw. Schande! Niemand zou natuurlijk met drank op achter het stuur kruipen, zoals Katja Schuurman en Giel Beelen, dat nooit!
Mijn punt vooraf is: het recht normeert niet alleen via de wet en de strafbepalingen die daarin staan, het straft niet alleen de daders die voor het hekje moeten komen, maar moet het vooral hebben van het rimpeleffect. De toepassing van de wet geeft een signaal af dat je zomaar de volgende kunt zijn. Dat heet in het strafrecht ‘secundaire preventie’, en is naast vergelding en het voorkomen van recidive een belangrijk doel van de strafrechtspleging. Dat rimpeleffect-doel wordt momenteel met het vervolgen van uitingsdelicten maximaal opgerekt en grijpt in tot in de kern van het publieke debat en onze aan dat doel ondergeschikt gemaakte grondrechten en vrijheden.
Aan de lijst van ‘dingen die wij nooit zouden doen’ is sinds enige tijd het racistisch bejegenen, kwetsen en discrimineren van minderheden toegevoegd. Althans, de vervolging daarvan staat momenteel vol in de aandacht. Politici, opiniemakers, activistische jongeren, Facebook-ridders en tal van andere woordencriminelen worden nauwlettend in de gaten gehouden. De wetgever en de rechterlijke macht heeft in tandem met de inlichtingendiensten duidelijk de taak opgevat om mensen die kritiek hebben op migratie, op bepaalde groepen en op bepaalde gedragingen van die groepen in die niet meer zo serene, maar eerder sinistere setting van de rechtszaal te trekken.
Een zeer recent voorbeeld is de vervolging van VU-studenten Marlon Uljee en Reinout Vlaardingenbroek. Deze oprichters van de ‘radicaal-rechtse’ Vrijmoedige Studentenpartij (VSP) moesten op 4 juni jl. verschijnen voor een meervoudige (!) strafkamer na een “ordinaire kroegruzie” (zoals advocaat Theo Hiddema het terecht noemde). Ik was bij die zitting aanwezig en telde zo’n acht journalisten die al langer de partij in het vizier hadden en vrolijk meededen met de hetze tegen wat in de volksmond “extreem-rechts” is gaan heten. Alsof dat niet kwetsend is trouwens. De ruzie en de bloedneus die het slachtoffer (een Egyptische student) opliep was te plaatsen in een verhitte politieke strijd waarbij de verdachten door een groepje woke-activisten werden getreiterd en lastiggevallen. Moet je dan maar slaan? Moet je dan dingen roepen als “je moet gedeporteerd worden”?
Nee, misschien niet. Maar wat in ieder geval niet mag gebeuren is dat een overheid je “misdaden tegen de menswaardigheid” (aldus de Officier van Justitie in die zaak) in de schoenen schuift. En een hoge gevangenisstraf (zes maanden in dit geval) eist die in geen enkele verhouding staat tot de schade, de toedracht en de ernst van die feiten. (Over deze zaak zal ik wellicht na het vonnis nader berichten).
Karikatuur van kwetsen
De rechtspraak is daarmee sterk gepolitiseerd, activistisch en partijdig geworden. “Een clownshow,” hoorde ik mensen uit het publiek van laatstgenoemde zitting zeggen. Dat is in zichzelf al een ramp omdat het de legitimiteit, de neutraliteit en het gezag van de héle strafrechtketen ondermijnt. Daar wordt overigens al jaren over geklaagd door de rechterlijke macht zelf, en zoals dat gaat met vingerwijzen naar populisten en ‘anti-institutionele extremisten’. Absurd, want helemaal niemand is tegen het instituut van rechters en openbaar ministerie, integendeel. De kritiek heeft alles te maken met de aantasting van het rechtsgevoel, en waar dat vandaan komt zal ik uitleggen.
Met de huidige jacht op o.a. ‘racisten, transfoben en islamofoben’, die vanuit met name het Landelijk Expertisecentrum Discriminatie (LED) enorm is geïntensiveerd, geeft de overheid aan dat dit prioriteit heeft. Dat er blijkbaar een maatschappelijk probleem is dat niet op een andere, minder invasieve en autoritaire manier kan worden opgelost. In een jaar tijd is het aantal ‘discriminatiefeiten’ volgens de cijfers van het LED met maar liefst 68 procent toegenomen. Er waren in 2025 zo’n tienduizend meldingen bij de politie, waarvan 70 procent afkomstig van zogenaamde antidiscriminatiebureau’s. Allemaal gaan die zaken over discriminatie op basis van ras, seksuele gerichtheid of (geloofs)overtuiging. En allemaal gaan die over discriminatie van “groepen”, van minderheden en van “identiteiten” zoals dat zo mooi heet. Wie “kankerhomo” naar een persoon roept, discrimineert alle homo’s ter wereld. Wie “vuile neger” roept wordt de moord op George Floyd in herinnering geroepen. Dat is in een notendop waar we het over hebben.
De wetgever, het Openbaar Ministerie en de rechterlijke macht verleggen met deze idiote karikatuur van kwetsen de focus van het bestrijden van maatschappij ontwrichtende criminaliteit (waarin overigens veel van die beschermde groepen oververtegenwoordigd zijn), naar het sturen, normeren en afschrikken van de doorsnee bevolking die mogelijk racistische, discrimineerde en (als we het onszelf nog makkelijker willen maken) “hatelijke” gedragingen vertoont.
Maar hoe kun je daar nou tegen zijn, is dan vaak de vraag of opmerking. Het is toch juist goed als we de koranverbranders, de “negroïde primaten” roepers en al die andere heethoofden en agitatoren die groepen mensen op hun uiterlijk en geloof beoordelen hard straffen? Dat hoéft toch niet zo, dat is toch erg!
Cultureel daderschap vs. institutionele slachtoffers
Nog afgezien van de glijdende schaal van ‘gekwetsheid’, en de infantiele behoefte om alles leuk en gezellig te houden in Nederland, zijn er meer redenen om daar zeker wel op tegen te zijn. Omdat de dynamo van die onderliggende strafbepalingen volledig draait op een vooronderstelling over wie de daders en de slachtoffers zijn. Die worden a priori, dus buiten de rechtszaal al gegeven.
Minderheden zijn groepen die bescherming verdienen, de daders zijn (wel) individuele mensen die deze niet verdienen. Of vanuit de geest van de wet beredeneert: die deze bescherming niet nódig hebben. Omdat blanke, hetero, of christelijke mannen, en zeker in samenhang, per definitie niet gediscrimineerd kúnnen worden. En, impliciet, minderheden niet individueel op gelijke hoogte kúnnen staan met die cultureel bepaalde daders.
Dat is de niet te missen conclusie na mijn bestudering van de wetgeving en de toepassing ervan. Een sprekend voorbeeld is de gevangenisstraf die volgde op het projecteren van de tekst ‘White Lives Matter’ tijdens de jaarwisseling in 2022 op de Erasmusbrug. Deze daad van rebellie tegen het ongelijke ideologische speelveld wél tolereren en toestaan zou zand in de dynamo gooien, het zou de onderliggende premisse die in stand moet blijven (de achterstelling en ongelijkheid van minderheden) in gevaar brengen.
De rechtbank in die zaak: “Met het projecteren van hun uitlatingen hebben de verdachten iets dat een feestelijk samenzijn had moeten zijn gegijzeld met een boodschap van expliciete onverdraagzaamheid.”
Zie je, het moet allemaal wel leuk en gezellig blijven.
De leuzen stonden niet op zichzelf, vond de rechtbank, maar kwamen uit het “White Lives Matter-gedachtegoed dat gericht is op blanke suprematie, omvolkingstheorieën en ideeën die teruggaan naar nazi-Duitsland.”
Deze zaak is een goed voorbeeld van de asymmetrie in de toepassing van het recht, van de onderliggende bedoeling van de wetgever om via de ‘noodzakelijke’ discriminatie van groepen (want Black Lives Matter mag wel), discriminatie te bestrijden. In het oordeel van de rechter ligt besloten dat white lives niet kunnen matteren zolang die levens in een ongelijke sociale constructie nog bestaan.
Fundamentele breuk met individuele vrijheidsrechten
Vanuit de links-ideologische strijd voor gelijkheid, die alleen middels de instandhouding van de achterstelling betekenis krijgt, zijn we nu aanbeland bij het criminaliseren van individuen om abstracte groepen te beschermen. En daarmee bepaalde groepen – onverdiend – te bevoordelen boven het individu. Dat is een fundamentele en ernstige breuk met het westerse ideaal van individuele vrijheidsrechten. Die ons vooral tegen de macht van de staat zouden moeten beschermen en niet tegen de nare woordjes van andere mensen.
De onvermijdelijke ongelijkheid en asymmetrie in het recht die dit ‘gelijkheidsstreven’ tot gevolg heeft wordt het meest zichtbaar en concreet in deze nieuwe wetsbepaling:
Artikel 44bis Wetboek van Strafrecht (ingevoerd per 1 juli 2025):
‘Indien een strafbaar feit wordt begaan met een discriminatoir oogmerk dan wel bestaat uit, wordt voorafgegaan door, vergezeld van of gevolgd door gedragingen die haat tegen of discriminatie van een groep mensen wegens hun ras, hun godsdienst of levensovertuiging, hun geslacht, hun seksuele gerichtheid of hun handicap tot uitdrukking brengen, kan de op dat feit gestelde tijdelijke gevangenisstraf of hechtenis met een derde worden verhoogd.’
Als je kijkt naar de oorsprong en de toepassing van deze wet dan vallen een aantal zaken op. De wet werd ingediend door Kathalijne ‘Bilderberg’ Buitenweg (toen nog van GroenLinks) en Gert-Jan Segers (ChristenUnie). De eerste zin in de inleiding van de Memorie van Toelichting luidde als volgt:
“De gewelddadige dood van George Floyd in de Verenigde Staten van Amerika heeft wereldwijd een schok teweeg gebracht. Net als de bloedige aanslag op de moslimgemeenschap in Christchurch, Nieuw Zeeland. Het zette de spotlight op discriminatoir en racistisch gemotiveerd geweld dat in onze samenlevingen zoveel onrecht, woede, verdriet en gevoelens van onveiligheid veroorzaakt.”
Het is weliswaar niet ongebruikelijk om “schokkende” gebeurtenissen op te voeren in wetsvoorstellen, om zo van een zekere urgentie blijk te geven. Het is wel ongebruikelijk en absurd om bij een strafbepaling die nota bene discriminatie en racisme tegen wil gaan, de focus uitsluitend te leggen op wat ik ‘institutionele slachtoffers’ noem.
Tunnelvisie leidt tot Henry Nowak
Nergens in de toelichting bij de wet wordt rekenschap gegeven van het idee dat om discriminatie en racisme te bestrijden elk mens, en elke groep zo je wilt, rechtsbescherming verdient. Het staat er niet. Niet impliciet, niet voor de vorm en zeker niet uitdrukkelijk. En daaruit kun je dus concluderen dat daderschap van minderheden is uitgesloten, of op z’n minst tegen de bedoeling van de wet ingaat. Tunnelvisie, blikvernauwing, you name it, liggen dus al besloten in de bedoeling van de wetgever. Waar dat in een extreem geval toe kan leiden zagen we bij de moord op Henry Nowak in Engeland. Waarvoor hij werd gearresteerd. Hij was in beginsel dader, en werd pas slachtoffer nadat de harde feiten die waren vastgelegd op beeld naar buiten kwamen.
Artikel 44bis Wetboek van Strafrecht komt voort uit Europese richtlijnen die ook in andere lidstaten van de Europese Unie zijn omgezet in nationale wetgeving. Zowel in Engeland, Duitsland als Frankrijk worden er momenteel hogere straffen opgelegd als een strafbaar feit wordt vergezeld van racistische of discriminatoire uitingen of gedragingen. In alle zaken die voor een rechter kwamen was het slachtoffer ‘een minderheid’. En in al die zaken was niet relevant of de verdachte daadwerkelijk het slachtoffer had gekwetst.
Of slachtoffers daadwerkelijk schade, zoals bijvoorbeeld concrete achterstelling, ondervinden, is überhaupt van geen belang. Die schade wordt door de wetgever zelf ingevuld, zoals ook de schuld via de moderne, pathologische gedachte dat het westen zondig is zolang er nog mensen op de wereld zijn die niet even gelijk zijn als wij. Wat in feite de échte en zeer problematische suprematie blootlegt van de racisme-bestrijders. Als je al zoiets als white supremacy wilt bestrijden, begin dan bij het opheffen van het racisme van de lage verwachtingen, leg dan ook verantwoordelijkheid bij minderheden neer om zich als individuen te emanciperen, in plaats van ze als machteloze onderdelen van een groep te kleineren.
Linkse moraal als te beschermen rechtsgoed
In de huidige strafbaarstelling van racisme en discriminatie, waar intenties of de werkelijke schade die deze toebrengen er niet toe doen, is de rechterlijke macht dus vooral druk met een andere ‘aantasting van een rechtsgoed’. En dat rechtsgoed is de links-progressieve moraal en de bijbehorende controle op taalgebruik ter opheffing van ongelijkheid. Het maakbaarheidsdenken heeft ook bij rechterlijke macht toegeslagen. En wat het vooral ‘maakt’ is onrecht. Wat het vooral kost is de vrijheid om zonder angst voor vervolging het vrije debat te voeren.
Er waart een spook door het strafrecht. En daarmee is de hele rechtsstaat een haunted house geworden. Wat hiertegen te doen is, komt neer op radicale eerlijkheid over de bedoeling van deze wetten en de handhaving ervan. En wie de bedoeling van een wet wil begrijpen, moet kijken naar hoe die gebruikt wordt en wat de gevolgen daarvan zijn. Dat heb ik proberen uit te leggen. En dat zal ik, met mijn prikkelbaarheid verpakt in beleefde bewoordingen blijven doen.

0 reacties :
Een reactie posten