Waterstofmanagement: Van Koninklijke Ceremonie tot Economische Realiteit

 De boodschap was glashelder: hier verrijst de infrastructuur van de toekomst.



22-5-2026


Waterstofmanagement: Van Koninklijke Ceremonie tot Economische Realiteit

Van een onzer correspondenten.

Met koninklijke allure werd gisteren in Rotterdam het eerste deel van het landelijke waterstofnetwerk geopend. Koning Willem‑Alexander draaide symbolisch aan de knop, geflankeerd door minister Stientje van Veldhoven (D66) en Gasunie‑CEO Willemien Terpstra. (ex global vice president decarbonization bij LyondellBasell.) De boodschap was glashelder: hier verrijst de infrastructuur van de toekomst. Nederland als waterstofhub van Europa, strategisch autonoom, economisch versterkt en klimaatbestendig.

Zonder zware subsidies stort het verdienmodel onmiddellijk in.

Het klinkt als een zorgvuldig gecomponeerde symfonie van vooruitgang. Waterstof is, zo wordt benadrukt, geen belofte meer maar realiteit: leidingen liggen er de industrie kan aanhaken. De hergebruikte aardgasinfrastructuur geeft het geheel een bijna geruststellende logica — alsof de energietransitie zich geruisloos laat inpassen in het bestaande systeem. In dit narratief is investeren in waterstof geen risico, maar een historische noodzaak. Wie nu niet bouwt, mist de toekomst.

Maar achter deze retoriek van onvermijdelijkheid schuilt een ongemakkelijke vraag: wat wordt hier eigenlijk gebouwd — een robuuste energievoorziening of een kostbare geloofsleer.

De huidige strategie is evenzeer een grote gok als een noodzakelijk geachte sprong.

De cijfers zijn minder plechtig dan de ceremonie. Groene waterstof kost momenteel vijf tot zes keer zoveel als de fossiele variant: €10–14 per kilogram tegenover €2–3. Zonder zware subsidies stort het verdienmodel onmiddellijk in. Zelfs onder gunstige aannames blijft de rekensom wankel; alleen bij uitzonderlijk lage elektriciteitsprijzen — ver onder de huidige realiteit — komt concurrentie met alternatieven in beeld. Intussen stijgen de investeringskosten voor elektrolyse-installaties, in plaats van te dalen zoals zo vaak wordt voorspeld.

Daar komt bij dat Nederland bepaald geen goud binnenhaalt in deze race. De elektriciteitsprijzen zijn relatief hoog, de opbrengst van zon en wind gemiddeld, en de internationale concurrentie aanzienlijk gunstiger gepositioneerd. Het idee dat Nederland uitgerekend hier een leidende rol zal veroveren, berust minder op comparatieve voordelen dan op politieke ambitie.

Nog fundamenteler is de vraag naar efficiëntie. Waterstof fungeert als energiedrager, maar een dure en verliesgevende: bij de omzetting van elektriciteit naar waterstof en weer terug gaat een aanzienlijk deel van de energie verloren. In een energiesysteem waarin schaarste en kosten centraal staan, is dat geen detail maar een structureel probleem. In veel toepassingen is directe elektrificatie eenvoudiger, goedkoper en effectiever — maar minder spectaculair, en dus minder politiek aantrekkelijk.

Zelfs de klimaatwinst wordt door critici genuanceerd. Waterstof levert vooral voordeel waar geen alternatieven bestaan, zoals in delen van de zware industrie. Daarbuiten dreigt het eerder een omweg dan een oplossing te zijn. De Europese Rekenkamer en diverse onderzoekers signaleren bovendien dat de doelstellingen rond waterstof eerder door politieke wenselijkheid dan door economische rationaliteit zijn gedreven.

En dan is er nog de infrastructuur zelf — indrukwekkend, maar onzeker in gebruik. Een netwerk van uiteindelijk 1.200 kilometer vraagt om voldoende vraag, stabiele aanvoer en voorspelbare tarieven. Geen van die voorwaarden is op dit moment gegarandeerd. Het risico van onderbenutting ligt nadrukkelijk op tafel: een kostbare ruggengraat zonder lichaam.

Toch zou het te eenvoudig zijn om het project af te doen als misplaatst optimisme. Voor sectoren als staal en chemie biedt waterstof wel degelijk een van de weinige routes naar verduurzaming. En infrastructuur laat zich niet op het laatste moment uitrollen; wie wacht tot de markt volwassen is, komt per definitie te laat. In die zin is de huidige strategie evenzeer een grote gok als een noodzakelijke geachte sprong.

Wat in Rotterdam werd geopend, is daarmee meer dan een pijpleiding. Het is een inzet — op technologie, op marktontwikkeling, op geopolitieke positionering. Maar ook een inzet met een prijs, en met risico’s die in de feestelijke retoriek gemakkelijk naar de achtergrond verdwijnen.

De vraag is niet of waterstof een rol zal spelen, maar hoe groot die rol werkelijk kan worden zonder permanente steun, zonder structurele inefficiëntie, en zonder dat de kosten uit de pas lopen met de baten. Tussen koninklijke ceremonie en economische realiteit gaapt vooralsnog een diepe kloof. De komende jaren zullen uitwijzen of die wordt overbrugd — of dat hier vooral een monument wordt gebouwd voor plannen die te groot waren om waar te maken.

***




1 reacties :

Dekker zei

Het kost heel veel fossiele energie om groene, blauwe of grijze waterstof te produceren, groene weliswaar iets minder maar de windmolens draaien ook op subsidie, dus wordt het een optelsom van subsidies. Net als met de windmolens kan waterstof alleen voortbestaan als er miljarden aan subsidies over de toonbank gaan, uiteraard betaald door het Klootjesvolk.

Een reactie posten