Het vorige deel van dit essay verscheen gisteren. Zie hier.
21-5-2026
Hoe zit het eigenlijk met klimaatopwarming? (Deel II)
Het vorige deel van dit essay verscheen gisteren. Zie hier.
Door Em. prof. Jan M.C. Geuns & Bernard S. J. De Muynck, ing.
CO2-concentraties sinds 550 miljoen jaar geleden.
Figuur 3 toont de CO2-concentraties in ppm vanaf 550 MJ tot 1950. Ongeveer 500 MJ was de CO2 concentratie ± 30 x hoger dan momenteel om dan geleidelijk te dalen naar ± tweemaal de waarden van nu rond ± 320 miljoen jaar geleden. De CO2 bleef dan constant tot 260 MJ en steeg dan plots tot ± 7 x de huidige concentratie om dan geleidelijk weer af te nemen.
Rond 160 MJ was er terug een stijging naar 10 x meer (= 4100 ppm) om dan weer af te nemen naar ongeveer de huidige waarden. Sinds het ontstaan van de aarde ± 4.5 miljard jaar geleden is er momenteel volgende verdeling van de koolstof (C), het element dat ook in CO2 vervat zit. De aardkorst bevat de grootste hoeveelheid C, nl. 1.9 miljard Gigaton (1 Gt = 1 miljard ton). Daarna volgt de oceaan met 40000 Gt en daarna zit er 2100 Gt in de bodem op het land en in levende organismen. Tussen 5000 en 10000 Gt koolstof zit in fossiele brandstof en ± 850 Gt zit in de atmosfeer, hoofdzakelijk in CO2 (Koonin, 2024). De atmosfeer bevat dus slechts 0.0000446 % van de totale koolstof op aarde (1 900 047 950 Gigaton).
Onderzoek van een fossiele reuzenslak (Campanile giganteum) geeft aan dat het weer in West-Europa 45 MJ vergelijkbaar was met dat in de Bahama’s nu. Omdat de slak erg snel groeide (40 cm in 5 jaar), kon men terugkijken naar het weer tot op het niveau van dagen, wat het onderzoek interessant maakt (Van Horebeek et al., 2025).
West-Europa lag toen al ± op de huidige plaats op aarde doch met een warmer moessonachtig klimaat met zachte winters, hete en droge lentes, en warme en vooral natte zomers met intense regenbuien. Het was toen veel warmer dan nu, met ‘s winters temperaturen boven de 20°C en‘s zomers rond 28 °C. Het zeewater werd tot 33 °C warm. Vijfenveertig miljoen jaar geleden zaten we in het Eoceen. Een groot deel van het huidige noorden van Frankrijk lag toen onder water, zoals dus ook de Champagnestreek waar de bestudeerde zeeslak leefde. Maar ook zowat heel Vlaanderen stond Figuur 3: CO2-concentratie in ppm vanaf 550 MJ (Koonin, 2024; figuur aangepast naar ppm CO2). ppm CO2 since 550 MJ

onder water. De Ardennen en de Hoge Venen staken er wel nog
onder water. bovenuit (Van Horebeek et al., 2025). Die toestand zal zich mogelijk in de verre toekomst kunnen herhalen (de Jager, 2012) en ook hier zal de mens geen invloed op hebben.
Figuur 4: Fossiele reuzenslak (Campanile giganteum) van 45 miljoen jaar geleden (Van Horebeek et al., 2025).

De slak groeide in de zee en maakte daarbij groeiringen aan, zoals ook bomen dat doen. Daarmee legde ze de omstandigheden van het zeewater om zich heen vast, zoals de temperatuur en de chemische samenstelling van het water. Door laagje per laagje van de schelp in detail te bekijken, konden de onderzoekers reconstrueren in welke temperaturen de schelp gegroeid is. Ze kregen daardoor een gedetailleerd beeld van het klimaat en de weerpatronen van miljoenen jaren geleden (Van Horebeek et al., 2025).
De analysen werden gekoppeld aan klimaatmodellen. De uitgesproken seizoensverschillen werden verklaard door verschuivende patronen in wind en oceaanstromingen. In het midden van mei viel de wind grotendeels weg en kwamen er plots felle onweersbuien op. De temperatuur van het zeewater zou in de winter iets boven de 20°C gelegen hebben, wat zeer hoog is, om dan in het voorjaar te klimmen naar ± 33°C. In de zomer zakte de temperatuur dan door de regens naar 28°C. Het zeewater van de Atlantische Oceaan beïnvloedde ons toen ook al sterk. Westenwinden overheersten in de herfst, de winter en het vroege voorjaar, met daarna een periode zonder wind van midden mei tot midden juni, en met noordenwinden tijdens de zomer.
Zodra zeestromingen of dominante windrichtingen veranderen, heeft dit zeer veel effect op het weer in Europa. Het Eoceen (56 tot 33,9 MJ) was dus een uitgesproken nat en warm tijdperk. De CO2-concentratie in de atmosfeer was toen tussen 2 en 3 maal hoger dan momenteel, dus tussen 840 en 1260 ppm (zie Figuur 3). Na die warmteperiode zijn er ijstijden gekomen waarbij Antarctica maar ook Artica en de Noordelijke streken onder een dikke ijslaag verdwenen waardoor het zeeniveau daalde. De CO2-concentratie was dan ± even groot als nu. Zoals hoger aangehaald werd 30 MJ de zuidelijke oceaan rond Antarctica open genoeg zodat de Westwinddrift voorkwam dat warm water uit lagere breedtegraden Antarctica nog bereikte zodat vergletsjering optrad.
Wat zegt de wetenschap over de opwarming van de oceaan?
Het klimaat wordt niet alleen door de atmosfeer bepaald, maar ook de oceanen zijn van het grootste belang in een complex system van water (oceanen, meren…), sneeuw en ijs zowel op het land als op de zee, alsook van land en levende organismen (microben, planten, dieren en de mens). De oceanen bevatten meer dan 90 % van de klimaatwarmte en hebben een “lange-termijn-geheugen” (Cheng et al., 2017). De atmosfeer verandert soms van dag op dag en/of jaar op jaar als gevolg van verschillende invloeden. De oceanen daarentegen reageren veel trager op veranderingen over verschillende decennia of eeuwen. De gemiddelde diepte van oceanen is 3700 m en satellieten meten enkel de temperatuur aan de oppervlakte.
Vroegere metingen gebeurden voornamelijk door schepen die niet overal passeerden en de nauwkeurigheid was minder groot. Sinds 2000 is er het ARGO-project dat ± 3900 robot-vlotters gebruikt om de eigenschappen van de oceaan te registreren. Sinds 20 jaar is ongeveer 60 % van de oceanen daardoor bemonsterd tot op een diepte van 2 Km. De vlotters verblijven op 1 Km diepte en elke 10 dagen dalen ze af naar 2 Km diepte. Ze komen dan gedurende 6 uur stilaan naar de oppervlakte terwijl ze de temperatuur en het zoutgehalte registreren. Eenmaal aan de oppervlakte sturen ze hun meetwaarden per satelliet door en dalen dan terug af naar 1 Km diepte. De meetwaarden in Figuur 5 van vóór 2000 zijn minder nauwkeurig dan die van latere metingen (de lijnen van 95% betrouwbaarheid liggen verder uit elkaar).

Figuur 5: Warmte-anomalie van zeewater op verschillende diepten, nl. 0-300 m, 300-700 m, 700-2000 m en 2000 m tot op de bodem (Cheng et al., 2017). De warmte-energie is uitgedrukt in Zetajoule (ZJ) waarbij 1 ZJ = 1023 joules. Figuur 5 toont duidelijk dat er een opwarming is van de oceanen, vooral van de bovenste lagen, hetgeen te verwachten is. Honderden ZJ lijkt zeer veel energie, en is het ook. Als men alle op 1 jaar door de mens geproduceerde energie optelt (fossiele, nucleaire, zonne-energie en windenergie) bekomt men slechts 0.6 ZJ. Als die energie verspreid wordt over alle oceanen veroorzaakt dat slechts een zeer kleine opwarming van enkele honderdsten van 1 °C per decennium. De doemdenkers met hun kokende oceanen zullen allicht nog meer dan 20.000 jaar moeten wachten vooraleer ze een eitje kunnen koken in de zee. Alles tezamen bewijst de opwarming van het zeewater wel dat er een opwarming is van het klimaat, maar de invloed van de mens blijkt verwaarloosbaar.
De wetenschap en de captatie van zonnestraling
Figuur 6 (links) geeft de temperaturen in °Kelvin op aarde en in de atmosfeer (van Wijngaarden & Happer, 2020).

De aarde heeft een gemiddelde temperatuur van 288,7 °K. De temperatuur neemt rechtlijnig af met ± 6 °K per km hoogte. In Figuur 6 (rechts) worden de concentraties van de belangrijkste broeikasgassen weergegeven in functie van hun hoogte in de atmosfeer. CO2 is gelijkmatig verdeeld in de atmosfeer tot op ± 82 km hoogte. Waterdamp, het belangrijkste broeikasgas, neemt zeer sterk af met de hoogte en rond 18 km hoogte stabiliseert zijn concentratie (± 6000 x minder dan op zeeniveau). Stikstofoxide (N2O) is ± constant tot op 20 km hoogte en neemt dan geleidelijk af met een sterkere afname vanaf 40 km hoogte.
Methaan (CH4) gedraagt zich op een gelijkaardige manier. Opmerkelijk is de ozonconcentratie (O3) die sterk toeneemt bij stijgende hoogte en zijn maximale concentratie ligt tussen 25 en 40 km hoogte. Ozon kan een deel van de zonnestraling opnemen waardoor de temperatuur stabiliseert vanaf 20 km hoogte en zelfs toeneemt tot op ± 45 km hoogte om dan weer rechtlijnig af te nemen in de mesosfeer.
Figuur 6: Links: standaard temperatuur profiel (in K) van de atmosfeer. Rechts: Standaard concentraties van de belangrijkste broeikasgassen in functie van de hoogte (uit van Wijngaarden & Happer, 2020).
Fysische wetmatigheden beheersen het stralingsevenwicht van de aarde volgens de Stefan-Boltzmann wetmatigheden (berekeningen in °K). Er is een stralingsbalans van de inkomende zonnestraling met de uitgezonden infrarode warmtestraling. Het evenwicht impliceert dat als de aarde opwarmt er ook een evenredige grotere warmtestraling plaatsvindt. De gemiddelde zonnestraling die het aardoppervlak bereikt, is ± 239 W/m2. De aarde absorbeert een gedeelte van die straling. Nochtans volgt de aarde de Stefan-Boltzmann wetten en straalt warmte uit met een langere golflengte (infrarood warmtestraling).

Figuur 7 geeft een beeld van deze warmtestraling (zie ook de blauwe curve in Figuur 9). Gelukkig hebben we de atmosfeer met stoffen erin die warmte weerhouden en terug naar de aarde stralen, want anders zouden we op een ijsbol leven (-18 C).
Een deel van het ingestraalde zonlicht (30 %) wordt gereflecteerd door bv. ijskappen, wolken, aërosolen van natuurlijke en menselijke oorsprong e.d. De door de aarde opgenomen straling wordt weer uitgestraald met langere golflengten (warmtestraling), en een deel daarvan wordt (tijdelijk) gecapteerd
Figuur 7: Voorstelling van de instraling van het zonlicht waarvan een gedeelte gereflecteerd wordt. door componenten in de atmosfeer die op hun beurt de stralingswarmte terugstralen zowel naar de aarde als naar de ruimte.
Figuur 8: Spectrum van het ingestraalde zonlicht op zeeniveau.

https://nl.wikipedia.org/wiki/Aardse_straling
De zonnestraling bereikt de aarde na een lange tocht doorheen de atmosfeer. Het zonlicht dat het aardoppervlak bereikt is in Figuur 8 licht grijs gekleurd tezamen met de kleuren van het zichtbaar licht.
In Figuur 8 is ook duidelijk te zien dat verschillende componenten een deel van het zonlicht absorberen of weerkaatsen (donker gekleurd). Ozon verwijdert een groot deel van het UV licht (korte golflengten) en zorgt voor de opwarming van de stratosfeer (zie Figuur 6). Waterdamp beperkt een groot deel van de instraling bij verschillende golflengten. Ook CO2 verhindert dat alle zonlicht het aardoppervlak daadwerkelijk bereikt (zeeniveau). Vooral langere golflengten boven ± 750 nm worden door zowel water als CO2 weggenomen. De instraling gebeurt met relatief korte golflengten tussen 250 en 2500 nm. De uitgestraalde warmtestraling bestaat uit zeer lange golflengten met het stralingsmaximum rond 10000 nm (= 10 µm), zie Figuur 9, uitgedrukt als golfgetallen (omgekeerde van de golflengte) alsook Figuur 10 (met weergave van golflengten).
Warmtestraling van de aarde en hoe groot zijn de mogelijke invloeden van de mens?
De atmosfeer bestaat voor 78 % uit stikstof en voor 21 % uit zuurstof. Het merendeel van de resterende 1 % wordt ingenomen door het inert gas argon. Zonlicht passeert zonder problemen doorheen deze gassen, en ± 30 % wordt gereflecteerd (zie Figuur 7). De aarde gaat ook warmtestraling uitzenden. Gelukkig zijn er nog andere gassen aanwezig, nl. waterdamp, CO2, methaan, stikstofoxide en ozon die een groot deel van de uitgezonden warmtestraling absorberen. Zonder deze “dekmantel” zouden we op een ijsbol zitten.
De temperatuur op aarde is afhankelijk van een evenwichtige balans tussen opwarming door het zonlicht en afkoeling door de hitte die via warmtestraling terug naar de ruimte gestuurd wordt (Stefan-Boltzmann wet). Dit stralingsevenwicht hangt nauw samen met een temperatuurs-evenwicht dat van verschillende factoren afhankelijk is en vooral van de afstand tot en de inclinatiehoek ten opzichte van de zon. Zoals hoger aangehaald absorbeert de aarde ±70 % van het zonlicht en wordt er gemiddeld 30 % gereflecteerd terug naar de ruimte (“albedo” genoemd). De waarde van de albedo is veranderlijk en is afhankelijk van welk deel van de aarde naar de zon gekeerd is. Een oceaan is donkerder dan land, wolken zijn lichter dan land, terwijl sneeuw en ijs zeer weerkaatsend zijn. Het maandelijks gemiddelde varieert met ± 1 % in functie van de seizoenen (groter in maart, en kleiner in juni/juli). De wereldwijde albedo kan via talrijke satellieten zeer nauwkeurig gemeten worden (afwijking slechts ± 0.15 %).
De blauwe lijn in Figuur 9 toont de warmte-uitstraling van de aarde naar de ruimte zonder dat er warmte weerhouden wordt. Alle broeikasgassen tezamen (maar zonder CO2) beperken het warmteverlies met 12.1 %. Met 400 ppm CO2 erbij is er een verdere beperking van 7.6 %. Met 800 ppm is er slechts een bijkomende beperking van warmteverlies van 0.8 %. Een groot gedeelte van de warmtestraling verdwijnt in het heelal. Hoe belangrijk is die (bijna) 1 % toename van het beperken van warmteverlies? Koonin (2024) haalt aan dat de IPCC-klimaatmodellen een stijging van de temperatuur van 3 °C voorspellen bij een toename van CO2 tot 800 ppm. We moeten er rekening mee houden dat de foutmarge daarbij groter wordt gezien er tijdens de tijdsspanne om verdubbeling van CO2 te krijgen er bv. meer wolken kunnen ontstaan of meer aërosolen die de temperatuur dan weer kunnen doen dalen. Klimaatdoemdenkers gaan al vlug beweren dat de wereldwijde temperatuur dan met 20 % toeneemt (3/15 = 20 %). Dat is een fout besluit vermits de Stefan-Boltzman wet rekent met de Kelvin schaal. Daarin is 15 °C ± gelijk aan 288 K.
Dus dan is 3 graden op 288 K gelijk aan 1 % opwarming.
Waterdamp is een van de belangrijkste gassen die het grootste deel van de weerhouden warmtestraling (tijdelijk) absorbeert, hoewel zijn concentratie maar ongeveer 0.4 % van de moleculen in de atmosfeer uitmaakt. Waterdamp heeft over de ganse schaal een invloed op het weerhouden van warmte, maar vooral bij lage golfgetallen van 0 tot 600 cm -1 (langgolvige infraroodstralen) alsook bij kortere infraroodstraling (golfgetallen tussen 1200 en 2300 cm-1). CO2 is daarna het tweede belangrijkste gas om warmte te weerhouden. Zonder CO2 zou de aarde veel meer afkoelen (zie groene lijn bij golfgetallen tussen 560 en 780 cm-1 in Figuur 9. Met 400 ppm CO2 wordt de afkoeling zeer sterk teruggedrongen (zwarte lijn in Figuur 9 ter hoogte van CO2). Een verdubbeling van CO2 tot 800 ppm heeft praktisch geen invloed meer op het reduceren van het warmteverlies (slechts ± 0.8 %, rode lijn in Figuur 9, Koonin 2024).
Warmtestraling bij korte golflengten (= grote golfgetallen) gebeurt praktisch niet (zie Figuur 9 boven, kleine groene lijntjes uiterst rechts). Momenteel wordt ± 7 % van de warmte geabsorbeerd door CO2. Alhoewel zijn concentratie slechts 420 ppm bedraagt, is de warmte-absorptie zo hoog omwille van zijn zeer hoge absorptie-coëfficiënt bij kleine golfgetallen (dus bij grote golflengten van infrarood licht).
Figuur 9 toont ook de invloeden van de andere broeikasgassen ozon (O3), stikstofoxide (N2O) en methaan (CH4). Uit Figuur 9 kunnen we besluiten dat een verdere verhoging van de CO2-concentratie niet als trigger kan fungeren voor klimaatopwarming (niet nu en ook niet in het verleden) (Koonin, 2024).
Figuur 9: Totale warmte-emissie (bovenste deel, blauwe lijn) en beperking van de warmtestraling (zwarte lijn) door verschillende elementen, waarvan water (H2O) de belangrijkste is (Van Wijngaarden & Happer, 2020).

De mens heeft maar weinig invloed op gigantische factoren die het klimaat kunnen beïnvloeden, waaronder, naast hogergenoemde factoren, ook zeker de kosmische straling van belang is. De door CO2 gecapteerde inkomende zonnestraling, absorptie genoemd, ligt bij golflengten tussen 1300 en 1450 nm en tussen 1750 en 1900 nm (zie Figuur 8). Dit zijn relatief korte golflengten en doen de aarde matig opwarmen (ze geven nl. aanleiding tot grote golfgetallen: zie Figuur 9 groene lijntjes uiterst rechts).
De absorptie van langgolvige Infrarode straling doet de atmosfeer opwarmen door het capteren van de uitgezonden warmtestraling (Zie Figuur 9, vooral golfgetallen tussen 600 en 800 cm-1). Zoals reeds vermeld wordt bij 400 ppm CO2 praktisch alle warmtestraling die door CO2 kan worden geabsorbeerd, reeds geabsorbeerd en een verdubbeling van CO2 tot 800 ppm heeft praktisch geen invloed meer op het opwarmen (0.8%).
Voor de niet-wetenschapper kan die opname van de warmtestraling door CO2 vergeleken worden met een doorzichtig gordijn. Zonder CO2 kan men met een lamp door het gordijn schijnen en het licht gaat er vlot doorheen (dit komt overeen met de groene lijn in Figuur 9 (vooral tussen golffrequentie 600 en 750) hetgeen geen warmte-absorptie door CO2 voorstelt. Met 400 ppm is het midden van het gordijn veel dikker waardoor er praktisch geen licht doorgaat, zodat er een warmte-absorptie is door CO2 (zwarte lijn in Figuur 9 vooral tussen golfgetal 600 en 850). Met 800 ppm CO2 zijn ook de randen van het gordijn dikker, waardoor er nog iets minder licht doorheen gaat. Dit kan men zich voorstellen dat ook de vleugeltjes van de CO2 absorptiepiek breder en dikker worden zodat er iets licht wordt tegengehouden.
Hoe zit het met de menselijke invloed op de huidige klimaatopwarming?
Rekenen met de Stefan-Boltzmann-wet. De Stefan-Boltzmann-wet berekent het stralingsevenwicht tussen de ingestraalde en de uitgestraalde energie. Alle berekeningen zijn in graden Kelvin (K). F0= σ.T4 in W/m2 waarin F0 = uitgestraalde flux (W/m²); σ =5.670374419 x 10-8 W/(m²·K⁴) en T = temperatuur in Kelvin.
Reeds hoger werd aangegeven dat metingen uitgevoerd door 4 onafhankelijke onderzoeksinstellingen een toename van ± 1,1 °C waarnamen in de periode van 1850 tot 2019 met een CO2-verandering van 339 naar 400 ppm (= 61 ppm) te wijten aan menselijke activiteit. Bij verhoging van de CO2-concentratie van 400 naar 800 ppm geven de klimaatmodellen aan dat er een opwarming verwacht wordt van 3°C rond 2100, oftewel een temperatuursverhoging van 1 %, nl. 3 graden op 288 K is 1 % te wijten aan menselijke activiteit hetgeen nog vrij gering is. Bovendien is de foutenmarge groter zo ver in de toekomst (Koonin, 2024).
Wat met de temperatuur 550 miljoen jaar geleden?
De temperatuur op aarde was 550 MJ ± 15 °C warmer dan momenteel, dus ± 30 °C. Hoeveel extra-warmte moet de aarde dan opnemen om 15 K extra uitstraling te kunnen geven om de temperatuur van 550 MJ te bekomen?
De Stefan-Boltzmann-wet geeft aan hoeveel een zwart lichaam per oppervlakte-eenheid uitstraalt:
F0= σ.T04 in W/m2 waarin: F0 = uitgestraalde flux (W/m²) met σ =5.670374419 x 10-8 W/(m².·K⁴) en T0 = temperatuur in Kelvin
Hoeveel extra flux hoort dan bij een temperatuurstijging van 15 K?
1. Uitgangspunt: gemiddelde effectieve aardtemperatuur. De aarde straalt gemiddeld uit alsof ze een temperatuur heeft van ongeveer: T0 = ±255 K (dit is de stralings-temperatuur, nl. -18 °C = 255 K, niet de oppervlaktetemperatuur).
2. Nieuwe temperatuur: T1=T0+15=270 K
3. Bereken de fluxen:
Huidige flux: F0= σT04= σ x (2554) en dus is F0 = ± 239 W/m2 Flux bij +15 K (255+15=270 K): F1= σT14= σ x (2704) en dus is F1 = ± 302 W/m2 .
4. De extra benodigde warmteflux is dus: F1 – F0 = 302 – 239 = 63 W/m2. De aarde moet dan ± 63 W/m² extra warmte opnemen om volgens Stefan-Boltzmann 15 K meer uit te stralen, en dat is gigantisch veel!
Dat lijkt bijna onverenigbaar met de inkomende zonneflux (gemiddeld ± 340 W/m2) aan de top van de atmosfeer, waarvan maar een deel (± 70%) geabsorbeerd wordt. Het lijkt weinig waarschijnlijk dat de instraling van de zon zoveel hoger was 550 miljoen jaar geleden. Het maakt de opwarming en de CO2 uitstoot door vulkanische activiteit veel waarschijnlijker.
Volgens de klimaatactivisten die CO2 als trigger zien van de opwarming en die spreken van kokende oceanen, geeft dus 61 ppm CO2 (400-339) 1,1 °C extra. De CO2-concentratie 550 MJ was 12000 ppm.
Volgens de logica van de klimaatactivisten zou de hoge concentratie CO2 dan een temperatuur van 12000/61= 196.7 °C moeten opleveren, waar geen evidentie voor gevonden is! De grote vraag is: kan dit eigenlijk wel en hoe hoog moet de temperatuur op aarde dan worden om genoeg stralingswarmte te kunnen uitzenden om die hoge temperatuur te bereiken?
Laten we het probleem even narekenen met de stralingswet van Stefan-Boltzmann.
1. Temperatuur omzetten
De huidige gemiddelde aardtemperatuur is ± 15°C = 288 K
De afgeleide “activistische temperatuur” is dan: 196 + 273 = 469 K (273= 255K (=-18°C) + 18 K omdat er een atmosfeer verondersteld wordt die warmte weerhoudt).
2. Hoeveel extra-stralingsvermogen hoort bij 196 °C oftewel 196 + 273 = 469 K?
De uitgestraalde warmtestroom van een zwart lichaam is: F0 = σ.T4 in W/m2 .
Als we rekenen met de verhoudingen, krijgen we het volgende: (F1 bij 469 K/F0 bij 288 K)4; dus 469/228 = ± 1,63; dus 1,634 = ± 7.
Dus volgens Boltzmann zou de aarde bij 196 °C ongeveer 7 keer meer stralingswarmte per m2 moeten afgeven dan nu.
3. Wat betekent dat fysisch?
De huidige energiebalans geeft netto ± 240 W/m2 uitstraling naar de ruimte. Bij 196 °C zou dat dan ruwweg 7 x 240 = ± 1700 W/m2 moeten zijn. Dat is compleet onverenigbaar met de inkomende zonneflux, gemiddeld ± 340W/m2 aan de top van de atmosfeer, waarvan maar een deel (± 70%) geabsorbeerd wordt. Met andere woorden: om zo een temperatuur te halen, zouden we óf een veel fellere zon, óf een totaal andere planeet moeten hebben.
4. Onderliggende pointe
We moeten hier een duidelijk onderscheid maken tussen een “activistische rekenregel” en wetten uit de fysica. Een lineaire regel “61 ppm geeft 1,1 graad opwarming” en dat doortrekken naar 12000 ppm levert fysisch absurde resultaten. In de echte klimaatfysica is de stralingsforcing van CO2 logarithmisch in functie van de concentratie, en de temperatuurrespons wordt bovendien begrensd door de energiebalans met de zon en door terugkoppelingen.
Voor diegenen die niet graag met golfgetallen werken zoals in Figuur 9, staat hieronder Figuur 10 met zowel de instraling van korte golflengten (0.2 tot 4 µm = 200 tot 4000 nm) als de warmtestraling bij lange golflengten (boven 4 µm tot 70 µm = 4000 tot 70.000 nm) aangegeven.
De zon straalt voornamelijk zichtbaar licht naar de aarde, grotendeels met een golflengte kleiner dan 4 μm (= 4000 nm). De bodem straalt warmtestraling terug omhoog, vrijwel allemaal met een golflengte groter dan 4 μm. De warmtestraling van de grond kan niet ongehinderd naar de ruimte stralen.
Broeikasgassen zoals waterdamp (H2O), kooldioxide (CO2) en methaan (CH4) nemen de warmtestraling op (lange golflengten boven 4000 nm!). Hoe sterk deze moleculen de warmtestraling opnemen hangt af van de golflengte van de straling en van de aard van de moleculen. Bij sommige golflengten kan de warmtestraling vrijwel ongehinderd door de atmosfeer stralen, dit zijn de witte stukken in Figuur 10. Bij andere golflengten wordt vrijwel alle straling door de broeikasgassen opgenomen, dit zijn de grijze banden in Figuur 10. Het sterkst geldt dit voor straling rond 15 μm, vooral te wijten aan CO2 en waterdamp. Uit Figuur 10 blijkt ook dat de meeste warmtestraling boven 4 µm (= 4000 nm) onderweg van de grond naar boven door waterdamp, CO2 en andere broeikasgassen opgevangen wordt. Ozon is een uitzondering en de golflengten van 0.2 tot 0.3 µm (200-300 nm) van het ingestraalde zonlicht wordt al geabsorbeerd in de stratosfeer waardoor die opwarmt (zie Figuur 6).
Figuur 10: Atmosferische absorptiebanden uitgedrukt in µm.

Tijdsschaal van enkele belangrijke ontwikkelingen van het leven op aarde.
Gedurende de eerste 4 miljard jaar van de geschiedenis van de aarde was er op de continenten geen leven buiten micro-organismen waaronder bacteriën. Landplanten (zoals mossen, levermossen en de (blad)mossen) ontstonden uit zoetwaterwieren zo’n 500-450 MJ. Later evolueerden hieruit varens, dan coniferen (naaktzadigen) en uiteindelijk bloemplanten (bedektzadigen) zo een 150 à 130 MJ. Door de ontwikkeling van vaatbundels voor het transport van water en mineralen konden dan grotere planten zoals bomen ontstaan. De vroege mosachtige planten creëerden habitats voor landdieren, en bereidden de weg voor andere planten voor. Landplanten maakten de continenten groen, en creëerden zo een habitat voor dieren. De kolonisatie van het land door meercellige organismen, valt samen met de periode waarin het leven in de zeeën meer divers en talrijker werd, hetgeen men de “Cambrische explosie” noemt. Groene planten nemen veel van de CO2 op en konden zo mogelijk een invloed hebben op de temperatuur (cfr. Figuur 3).
Carboon: 359-299 MJ was bekend om zijn uitgestrekte, tropische en vochtige moerasbossen met reusachtige varens, paardestaarten en wolfsklauwachtigen die de basis vormden voor veengebieden en de huidige steenkoolvoorraden. De landen van de Benelux lagen toen nabij de evenaar (de Jager, 2012). Het was een tijd van hoge zeespiegel (100 à 120 m hoger dan nu), hoge zuurstofniveaus in de atmosfeer met ontwikkeling van zeer grote insecten. Er waren veel amfibieën en er was het ontstaan van de eerste reptielen. Grote continenten bewogen naar elkaar toe, wat ook leidde tot de vorming van bergketens zoals de Ardennen.
Dinosauriërs leefden van 266 tot 66 MJ en ze stierven uit door de inslag van een gigantische meteoriet die de aarde met een grote stofwolk omhulde.
Zoogdieren ontstonden 60 MJ in een warm klimaat rond de evenaar. De huidige mens is laat ontstaan (200.000 jaar geleden) en is eigenlijk een tropische soort die zou overlijden aan onderkoeling als hij naakt in de schaduw ligt bij 20°C! Dank zij kledij en bescherming in grotten kon hij de koude periodes overleven verder verwijderd van de evenaar. Pas na de opwarmingsperiode zo een 10.000 jaar geleden is hij naar buiten kunnen treden en hebben zich de grote beschavingen kunnen ontwikkelen (bv. in Egypte, Perzië, China).
Gangbare stellingen van doemdenkers
Voor vele weerdeskundigen, journalisten en politici is er blijkbaar een nieuw “stopwoord” ontstaan, of liever een klein zinnetje: “dat komt door de klimaatopwarming”, zonder dat ze daarvoor ook maar enig wetenschappelijk bewijs leveren. Dikwijls zijn de besluiten genomen uit onwetendheid of zelfs met kwade bedoelingen zoals ook aangehaald door de YouTube film (zie referentie). Zo blijkt de menselijke invloed op het ontstaan van meer hittegolven, droogte, overstromingen, stormen, natuurbranden verre van bewezen als men die verschijnselen op wereldschaal analyseert. De vele branden die we in 2025 gekend hebben in diverse regio’s in de wereld (regio boven Los Angeles, Portugal, Spanje, Griekenland) wijten de doemdenkers aan de klimaatopwarming. Ze vergeten hierbij te vermelden dat de meeste van die branden werden aangestoken en men heeft in elk van die landen tientallen pyromanen kunnen oppakken. Bovendien kunnen glasscherven het zonlicht in 1 punt concentreren waardoor ook brand kan ontstaan, naast natuurlijk blikseminslagen. De massale regenval gepaard gaande met zware overstromingen in Portugal en Spanje in Januari-Februari 2026 is niets nieuws onder de zon! Zoals hoger aangehaald gebeurde iets gelijkaardigs in Liangzhu ±4300 jaar geleden waardoor de toenmalig grootste stad gedoemd was te verdwijnen.
Natuurlijk als men onwaarheden genoeg blijft herhalen, begint men vlug iets als waar te aanvaarden en maakt men deel uit van, en voelt men zich goed bij een wereldwijde “consensus”. Dit geldt natuurlijk ook in de politiek zoals we momenteel te dikwijls moeten constateren met grove leugens komende zowel uit het Westen, het Noorden als het Oosten.
Een zeer interessant en recent boek is van Prof. Koonin “Unsettled” uit 2024. Hij is de man die het eerste klimaatmodel ontwikkelde en in zijn boek vergelijkt hij een 40-tal bestaande modellen. Volgens hem is geen enkel model nauwkeurig genoeg om zeer verregaande conclusies te trekken.
Momenteel deelt men de atmosfeer rond de aarde in in kubussen van 100x100x100 Km. Om betere modellen te ontwikkelen (10×10 m en de hoogte slechts de dikte van een pannenkoek) zou men eerst veel krachtigere computers moeten ontwikkelen die duizenden malen, liefst miljoenen keren, sneller werken dan de huidige. Dat is nog toekomstmuziek. In zijn boek relativeert Koonin (2024) ook de opwarming die daadwerkelijk optreedt. Bij
verdubbeling van de huidige ppm CO2 geven klimaatmodellen een mogelijke opwarming van 3 °C, maar dat is slechts een stijging van 1 % van de huidige temperatuur van 288 K. Inschattingen van alle menselijke invloeden op het klimaat t.o.v. de ± 239 W/m2 instraling op zeeniveau, is ergens 2 W/m2 of rond 1 %.
Een grappig feit is dat vooral jonge doemdenkers het verdwijnen van de bodem-watervoorraden in april mei 2025, nochtans overvloedig bijgevuld in 2024, ook wijten aan klimaatopwarming. Natuurlijk kunnen deze jonge mensen er ook niet aan doen dat ze einde vorige eeuw of zelfs deze eeuw geboren zijn. Ze hebben, sinds onbekwame politici ons degelijk onderwijs naar de vaantjes geholpen hebben, nooit de kans gehad om goede basiskennis te verwerven. Zo leerden we in de jaren 50 van vorige eeuw al in de lagere school dat monniken moerassen hebben drooggelegd om er landbouwgrond van te maken. Daarna zijn een aantal dwazen rivieren gaan rechttrekken waardoor de bergingscapaciteit voor water met een factor ± 3 à 4 is afgenomen. Anderen hebben dan de afgesplitste meanders opgevuld en corrupte politici en zakkenvullers hebben bouwtoelatingen verleend in de vroegere overstromingsgebieden. Als er dan toch overstromingen kwamen in die foute verkavelingen, is men dijken beginnen bouwen om het water versneld af te voeren.
En nu moet de brave burger er weer voor opdraaien, want men steekt veel onderzoeksgeld in projecten om het water minder snel af te voeren, bv. de reien in Brugge, in Voeren en sluissystemen in de landbouw. Op 15 juli 2025 kregen we te horen dat Vlaanderen een slordige 300 miljoen euro zou investeren om te vermijden dat het regenwater versneld wordt afgevoerd. Hierdoor draait de gewone burger weer op voor de fouten van corrupte politici in het verleden. Zou het niet eenvoudiger zijn om de rivieren hun natuurlijke overstromingsgebieden terug te geven? Dat heeft zeker vroeger zijn nut bewezen.
De Amerikaanse Nobelprijswinnaar (2022, Fysica) John Clauser noemt het klimaatdoemdenken niet alleen een fabeltje, maar echte oplichterij. Sinds 1800 tot 2019 is wereldwijd de temperatuur met ± 1,1 °C gestegen. Bij een verdubbeling van CO2 van 400 naar 800 ppm (verwacht tegen 2100) zou het weerhouden van de stralingswarmte met ± 1% stijgen, maar de voorspelling van een temperatuurstijging van 3°C tegen 2100 heeft te lijden aan een zeer grote onnauwkeurigheid te wijten aan o.a. te verwachten toegenomen
bewolking en door verbranding ontstane aërosolen. Zelfs als de temperatuur met 3°C stijgt, is dat maar een stijging van 1 % berekend in °K. Natuurlijk zijn er vele miljarden onderzoeksgeld mee gemoeid dat gemakkelijk te bekomen is en dat weer verdwijnt als men stopt met doemdenken. Laat onafhankelijke wetenschappers terug een prominente rol vervullen in de geschiedenis! Het is zeker aan te raden om de volgende video te bekijken met o.a. Nobelprijswinnaar John Clauser en andere excellente wetenschappers. Iedereen kan zelf uitmaken om in de zeer dure val van doemdenkers te trappen of niet. Laat de exacte wetenschappen bepalend zijn.
Conclusies
Wetenschappelijk klimaatonderzoek laat ons concluderen dat wereldwijd de grote veranderingen in het klimaat niet gebeurd zijn door menselijk ingrijpen en de meeste spectaculaire veranderingen gebeurden zelfs voordat de huidige mens op aarde verscheen. Ongeveer 550 MJ was de temperatuur gemiddeld 13 °C warmer dan nu. Er zijn bovendien periodes met zeer hoge CO2-concentraties opgetreden die zeer sterk konden schommelen.
Ook tijdens de ijstijden was de CO2-concentratie hoger dan momenteel. Ongeveer 45 MJ lag de Benelux op dezelfde locatie op de wereldbol (49-53 Noorderbreedte) maar had toen een zeer warm klimaat en N-Frankrijk, Vlaanderen en Nederland lagen onder water. – Sommige “klimaatwetenschappers” zijn ervan overtuigd dat hoge CO2-concentraties automatisch leiden naar hogere temperaturen. Uit bovenstaande gegevens uit de wetenschappelijke literatuur blijkt duidelijk dat dit niet zo is. Er spelen zeer veel factoren mee bij dit alles.
Kunnen die klimaatwetenschappers de 40 miljoen jaar durende koude periode verklaren ± 300 MJ geleden terwijl de CO2-concentraties minstens even groot waren als nu? – Wat de wetenschap ons leert is dat er grote klimaatveranderingen kunnen optreden waarop mensen niet de minste invloed hebben. Er spelen talloze processen mee die een invloed op het klimaat kunnen hebben.
Vele daarvan zijn niet in klimaatmodellen te stoppen, zoals o.a. vulkaanuitbarstingen, platentektoniek e.d.. Sommige gebieden zullen opwarmen in de toekomst, en andere afkoelen, en het is best mogelijk dat een groot deel van het Noordpoolijs zal smelten, maar elders zou het dan veel kouder kunnen worden.
Gezien er een continue en wereldwijde monitoring is door duizenden satellieten, kan het voor sommigen lijken dat er meer natuurrampen voorkomen omdat al die informatie momenteel rechtstreeks en binnen enkele seconden op ons afkomt.
CO2 is een voedingsstof voor planten. Normaal zou men verwachten dat planten veel sneller groeien en het teveel aan CO2 wegwerken. Dit gebeurt niet omdat in de uitgestoten gassen componenten aanwezig zijn die de huidmondjes sluiten zodat planten minder CO2 opnemen (o.a. door uitstoot van SO2). – 400 ppm CO2 is zeker nog goed te verdragen, en bij 800 ppm zouden sommigen misschien wat slaperiger worden.
We moeten zeker vermijden om naar CO2-concentraties te gaan van 550 MJ (± 12000 ppm), want dat zouden de meesten niet overleven. Waarschijnlijk gaat het genotype van de mens niet snel genoeg veranderen om zich aan die hoge ppm CO2 aan te passen.
We moeten ook rekening houden met het feit dat de huidige CO2-concentraties nog zeer lang (> 1000 jaar) behouden blijven, en methaan ± 25 jaar.
Er zijn wel goede redenen om fossiele brandstoffen af te bouwen en zelfvoorzienend te worden voor energie, gezien de geopolitieke situatie in de wereld. Het lijkt echter onverstandig om de producenten van groene energie hiervoor te beboeten door organisaties met monopolies zoals bv. Fluvius en de investeerders in groene energie te belasten voor elektriciteit die men op het net plaatst.
We leven in een omgekeerde wereld en wie goed doet, wordt bestraft. Men kan zich zelfs de vraag stellen of we van “groene” energie mogen spreken of dat we eerder van gevaarlijk vergiftigde energie moeten spreken als we bedenken wat er moet gebeuren met bv. de versleten wieken van windmolens, zonnepanelen e.a.
De grote vraag die nog niet beantwoord werd: hoeveel kosten de klimaatdoemdenkers ons in België en de EU en gaat de bevolking akkoord om ons geld zomaar weg te smijten in een bodemloze put zonder resultaat te boeken?
Wat is het effect van EU-emissies op het wereldklimaat?
Eerst de harde cijfers: België heeft maar een zeer klein percentage van de wereldbevolking. Samen hebben de EU + UK + Australië ≈ 7% van de wereldbevolking. De uitstoot van de ganse EU + UK + Australië ≈ 7% van de wereldwijde CO₂-emissies.
Daartegenover hebben China ≈ 30%, VS ≈ 14%, India ≈ 7%, Rusland ≈ 5%; Indonesië ≈ 4% samen meer dan de helft van de wereldwijde uitstoot (≈ 60%).
Wat betekent dat fysisch?
Zelfs als de EU morgen 100% emissievrij zou worden, en zo ver is het lang nog niet, dan vermindert dat de wereldwijde uitstoot met slechts ± 7%. Dat is:
1) een verwaarloosbaar effect op de wereldwijde opwarming, die trouwens zeer laag is (± 1% tegen 2100),
2) een niet-meetbaar effect op zeespiegelstijging,
3) een niet-meetbaar effect op extreme weersomstandigheden.
Waarom zet de EU dan toch zo zwaar in op klimaatbeleid?
Een argument zou kunnen zijn dat de EU denkt een moreel voorbeeld te moeten geven, dat streng beleid innovatie zou kunnen stimuleren en dat andere landen dan vanzelf zullen volgen.
In de praktijk zien we dat China meer nieuwe steenkoolcentrales bouwt dan de EU ooit heeft gesloten, en dat India en Indonesië hun energieproductie verhogen vooral met fossiele brandstoffen. In de USA blijkt het beleid te wisselen afhankelijk van de regering of van de president. Het zal waarschijnlijk moeilijk zijn om aan te tonen dat het EU-beleid ook maar enige invloed heeft om andere grootmachten tot CO2-reducties aan te zetten. Waarom zou de EU zo een beleid dan verder zetten?
Het economische tegenargument
Een streng klimaatbeleid verhoogt de energieprijzen, en dus de productiekosten, de transportkosten alsook de loonkosten. Als gevolg daarvan verhuist de productie van EU-bedrijven naar landen met lagere normen, zoals bv. China, India en Vietnam. De EU verliest het grootste deel van zijn industrie terwijl de wereldwijde emissies blijven stijgen waar de EU, UK en Australië geen significante invloed op hebben. Bovendien is de menselijke invloed op de opwarming die dan door onze concurrenten veroorzaakt wordt, slechts 1% verwacht tegen 2100, en dat is verre van het drama dat doemdenkers voorhouden. Is die 1 % invloed opwarming dan de moeite waard om in onze landen zoveel miserie te creëren alleen maar door foute informatie door de “consensus” klimaatdoemdenkers” die ook door de media verspreid wordt? Als het zover komt dat we niet meer kunnen concurreren, geen behoorlijke industrie meer hebben, worden we volledig afhankelijk van buitenlandse productie. Om dan de verloren gegane industrie terug op te bouwen zal moeilijk zijn en veel geld kosten en de concurrentiedruk van buitenaf zal zeer groot zijn.
Wat kunnen we misschien wel doen?
Sommige maatregelen zijn economisch zinvol zoals geleidelijk aan voldoende isolatie plaatsen met efficiënte natuurlijke verluchting. Op deze punten kan er nog innovatie mogelijk zijn zonder teveel kosten. Een woning potdicht maken zodat bijkomende ventilatie nodig is, die ook weer veel elektriciteit verbruikt, is potentieel zinloos.
Verplichte en snelle afbouw van betrouwbare energie, verplichte renovaties en veel te dure elektriciteit zijn dus niet aan te raden. Hetzelfde geldt natuurlijk voor elektrische auto’s die eigenlijk gezien de huidige stand van de techniek, uit den boze zijn, zeer veel kosten en op termijn de energie van een grote kerncentrale vereisen.
Bovendien moet overal de elektriciteitsinfrastructuur worden verzwaard en niet een klein beetje! Als de EU in 2008 kordaat had opgetreden tegen de auto-industrie in plaats van hen 15 jaar te geven om hun auto’s aan te passen, zouden we reeds lang met veel betere dieselauto’s rijden, die er nu toch noodgedwongen komen.
Veel van ons belastinggeld zou nuttiger kunnen besteed worden in plaats van de verspillingen aan klimaatdoelstellingen, EPC, isolatieregels, honderden miljoenen voor de (grond)waterhuishouding, en ook aan het veel te grote aantal politiek gemotiveerde instellingen.
Als politici willen uitmunten in veiligheid, zou men eerder aandacht moeten besteden aan echt gevaarlijke stoffen zoals bv. sucralose, dat bewezen kankerverwekkend is en vetzucht doorgeeft van moeder op kind. Zeker in een land als België moet het wel in oppervlakte- en kraantjeswater voorkomen, maar het wordt blijkbaar niet gemeten. Waarschijnlijk is dat product erger dan PFAS en stikstof tezamen. Ook triazolen in drinkwater verdienen meer aandacht.
Als wij in Europa in de toekomst niet onder een dictatuur willen leven, moeten onze centen beter gebruikt worden door te zorgen voor een efficiënte verdediging als afschrikking. De dictatoriale regimes hebben trouwens lak aan klimaatopwarming en onze goede bedoelingen, en blijven de fossiele brandstoffen overdadig gebruiken.
***
Literatuur:
YouTube filmpje met o.a. Nobelprijswinnaar (2022, Fysica) John Clauser:
Bobrowsky P.t. (eds) Encyclopedia of Natural Hazards. Encyclopedia of Earth Sciences Series. Springer, Dordrecht.
Cheng L., J. Abraham, J. Zhu et al. (2020) Record-setting Ocean Warmth continued in 2019. Adv. Atmospheric Sc. 37, 137-142.
de Jager J. (2012) Nederland door de geologische tijd: 600 miljoen jaar verandering van plaats en klimaat. Gea, december 2012, nr. 4, 97-103.
Donovan K (2013). Mt Pinatubo in: Bobrowsky P.t. (eds) Encyclopedia of Natural Hazards. Encyclopedia of Earth Sciences Series. Springer, Dordrecht. https://doi.org/10.1007/978-1-4020-4399-4_268.
Koninklijk Nederlands Meteorologisch Instituut. Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat. Koonin S.E. (2024) Unsettled: What climate science tells us, what it doesn’t, and why it matters.
BenBella Books, Inc., Dallas, TX 75231. ISBN: 9781637745250.
Manning S.W., F. Höflmayer, N. Moeller et al. (2014). Dating the Thera (Santorini) eruption: archaeological and scientific evidence supporting a high chronology. Antiquity 88 (2014): 1164-1179.
Newhall C.G., A.S. Daag, F.G. Delfin jr. et al. (1996) Eruptive History of Mount Pinatubo. USGS publications Warehouse, p 165-195.
Taquet Noémie, Th. Boulesteix, O. Garcia et al. (2025) Volatile emissions during the 2021 Cumbre Vieja (La Palma) eruption integrating multiplatform atmospheric observations. Atmos. Chem. Phys., 25, 14591 14628.
Raible C.C., S. Brönnimann, R. Auchmann et al. (2016) Tambora 1815 as a test case for high impact volcanic eruptions: Earth system effects. WIREs Clim Change 2016, 7:569-589. doi: 10.1002/wcc.407.
Van Horebeek N., N. J. de Winter, M. Baatsen, M. Ziegler, R. P. Speijer & J. Vellekoop(2025) A European monsoon-like climate in a warmhouse world. Nature Communications |16: 9207
Van Wijngaarden W.A. and W. Happer (2020) Dependence of Earth’s Thermal Radiation on Five Most Abundant Greenhouse Gases. arXiv:2006.03098v1 [physics.ao-ph] 4 Jun 2020.
Waters J.M. (2008) Driven by the West Wind Drift? A synthesis of southern temperate marine biogeography, with new directions for dispersalism. J. Biogeography 35, 417-427.
Zhang H., H. Cheng, A. Sinha et al. (2021) Collapse of the Liangzhu and other Neolithic cultures in the lower Yangtze region in response to climate change. Science Advances 7, eabi9275 (2021).
***
Morgen volgt de reactie van de diensten van de Europese Commissie op deze analyse.
***

0 reacties :
Een reactie posten