De veranderende rol van wetenschap in een samenleving onder druk
4-2-2026
Transformatie van de wetenschap
Door Frans Galjee.
Een recent lang gesprek met een oud collega leverde een verzoek van hem op eens vanuit mijn visie die verandering van het wetenschappelijke klimaat te beschrijven met mogelijk klimaatwetenschap als apart voorbeeld. Omdat ik dat in delen al eerder had opgeschreven en over de schutting had gegooid was het misschien wel de juiste tijd om dit in wat meer samenhang in een reactie te gaan samenvatten. Aldus hier het resultaat.
De veranderende rol van wetenschap in een samenleving onder druk
Toen ik in 1971 begon te werken als onderzoeker bij RCN (Reactor Centrum Nederland) werd wetenschap in de eerste plaats opgevat als een zoektocht naar begrip.
Onderzoeksvragen kwamen voort uit inhoudelijke nieuwsgierigheid en maatschappelijke relevantie, maar de uitkomst stond niet vast. Onzekerheid was geen tekortkoming, maar een inherent onderdeel van het onderzoek proces.
In de decennia die volgden, heb ik binnen onderzoeksinstituten – van RCN via ECN (Energieonderzoek Centrum Nederland) tot de bredere kennisinfrastructuur waarin ook nu vanaf 2018 TNO (Nederlandse Organisatie voor toegepast-natuurwetenschappelijk onderzoek) een rol speelt – een geleidelijke maar fundamentele verschuiving waargenomen in de rol van wetenschap vooral in de rol ten opzichte van politiek en economische belangen.
Deze verschuiving voltrok zich niet abrupt, en zeker ook niet uit kwade wil, maar zij heeft wel de aard van wetenschappelijk onderzoek wezenlijk veranderd.
Een eerste verandering betrof de overgang van taakgericht (RCN) naar meer marktgericht (ECN) onderzoek in 1976. Waar instituten oorspronkelijk een duidelijk afgebakende publieke taak hadden, werd verbreding nagestreefd om aansluiting te vinden bij maatschappelijke en politieke prioriteiten.
Die verbreding ging zeker in aanvang onvermijdelijk ten koste van diepgang. Onderzoek werd minder gedreven door interne wetenschappelijke vragen en steeds meer en vaker door opgelegde externe verwachtingen.
Daarmee samenhangend verschoof het zwaartepunt van fundamenteel naar toepassingsgericht onderzoek. Kennis moest niet alleen worden ontwikkeld, maar ook aantoonbaar bijdragen aan ‘oplossingen op korte termijn. Die verschuiving is begrijpelijk in een complexe samenleving, maar zij veranderde ook de tijdshorizon van wetenschap: van langdurige kennisopbouw naar snelle relevantie.
In die context deed het concept van post-normal science (PNS) zijn intrede: ‘wetenschap’ onder omstandigheden van hoge onzekerheid, grote maatschappelijke belangen en urgent verklaarde besluitvorming. In zo’n setting vervaagt het onderscheid tussen feiten en waarden, tussen analyse en normstelling.
Wetenschappelijke resultaten worden niet langer uitsluitend gebruikt om inzicht te vergroten, maar ook – en soms vooral – om richting te geven aan beleid. Hier ontstond ook mijn duiding – wetenschap op bestelling.
Hier voltrekt zich een derde, meer problematische verschuiving: van onderzoek als basis voor meningsvorming en beleidskeuzes naar onderzoek als ondersteuning van reeds gevormde standpunten. Standpunten die voor ons als onderzoekers zo duidelijk vaak de benodigde wetenschappelijke basis ontbeerden.
Wetenschap wordt dan niet meer primair ingezet om te ontdekken wat het geval is, maar om te legitimeren wat noodzakelijk wordt geacht.
Dit markeert een grens waar wetenschap haar eigen fundament begint te ondergraven. En dit gebeurde helaas zonder grote (behalve door mij) weerstand of werd afgedaan met de waarschuwing – jij wil je hypotheek toch ook kunnen blijven betalen?
Uiteindelijk resulteerde mijn verweer in ontslag begin 2005 al werd dat natuurlijk om andere redenen aangegeven.
De embryonale klimaatwetenschap (lees over laatste 100 jaar) vormt in dit geheel geen uitzondering, maar wel een illustratief voorbeeld. De urgentie van het probleem, de sterke verwevenheid met beleid en economie, en de vermeende noodzaak (paniek?) om ook onder grote onzekerheid te handelen, maken het vakgebied bij uitstek gevoelig voor deze dynamiek.
Methodologische ingrepen, modelmatige benaderingen en statistische bewerkingen krijgen daarbij een gewicht dat vaak groter is dan de onderliggende empirische basis kan dragen. Dat ‘vaak’ mag ook als altijd worden gelezen
Deze ontwikkeling heeft ook een sociologisch bij-effect. Wetenschap in verval wordt een aantrekkelijk podium voor actoren die de rol van wetenschapper willen vervullen zonder zich volledig te onderwerpen aan de discipline, twijfel en zelfkritiek die bij het vak horen maar uiteindelijk ook door de wetenschap met voeten werden getreden.
Daarmee raakt(e) wetenschap haar onderscheidend vermogen en haar positie kwijt.
Dat deze transformatie mede door de wetenschap zelf is mogelijk gemaakt, maakt de constatering ongemakkelijk maar noodzakelijk. De uitdaging waarvoor we staan is niet om wetenschap terug te brengen naar een geïdealiseerd verleden, maar om opnieuw scherp te definiëren wat haar rol is in een samenleving onder druk en gericht op waarde voor een nu onzekere toekomst.
Zonder die herijking dreigt wetenschap haar gezag niet te verliezen door gebrek aan kennis, maar door overbelasting met verwachtingen die zij principieel niet meer kan waarmaken.
Mijn mening is dat het gezag al verdwenen is en zal om die positie te herstellen er veel meer nodig zijn dan een herijking.
***

1 reacties :
"Onderzoek werd minder gedreven door interne wetenschappelijke vragen en steeds meer en vaker door opgelegde externe verwachtingen."
Opgelegd is hier de bijl aan de wortel van dit probleem.
Een reactie posten