Auteur: Aynsley Kellow.

Vertaling: Martien de Wit.

Het begin van de tweede week van COP26 heeft weinig hoogtepunten opgeleverd, maar de tendentieuze toespraak van Barack Obama heeft het in ieder geval mogelijk gemaakt om vandaag te onderzoeken hoe de klimaatpolitiek de klimaatwetenschap heeft vervuild en de nobele zaak tot corruptie heeft gedreven.

COP26-voorzitter Alok Sharma zette de voorgenomen koers uit voor de onderhandelingen tijdens de laatste week, waarbij de ministers de besprekingen over politieke kwesties zouden leiden, terwijl het meer technische werk werd voortgezet. De besprekingen over financiëgingen weer verder, waarbij er nog steeds verdeeldheid bestaat tussen ontwikkelde en ontwikkelingslanden over de vraag hoe vóór 2025 een nieuwe collectieve gekwantificeerde financieringsdoelstelling kan worden vastgesteld.

Veel kwesties moeten nog worden opgelost, waaronder artikel 6 over coöperatieve benaderingen van de handel in emissierechten, dat een knelpunt is geweest bij het afronden van de architectuur voor de uitvoering van de Overeenkomst van Parijs. Er zijn ook aanpassingskwesties, transparantiekwesties, verlies en schade, responsmaatregelen en financiering. Sharma is weliswaar van plan om de geplande sluiting van a.s. vrijdag 18.00 uur aan te houden, maar dergelijke hoop wordt bij dit soort vergaderingen meestal de bodem ingeslagen. Nu de hoop op zinvolle resultaten afneemt, zal zelfs een resultaat dat een zijden tasje probeert te maken van wat tot dusver grotendeels een varkensoor is geweest, de bijeenkomst waarschijnlijk verlengen tot na de geplande sluiting.

De voormalige president van de VS, Barack Obama, maakte maandag zijn opwachting en laakte degenen die klimaatverandering politiseren (alsof beleid van deze omvang op de een of andere manier buiten de politiek staat) en degenen die aarzelen om zich achter de meest extreme agenda te scharen.

Hij noemde Rusland en China met name en in zijn opmerkingen onderschreef hij de opvatting dat we ons in plaats van met politiek moeten laten leiden door ‘DWetenschap’. Hij verdedigde Biden’s (gebrek aan) vooruitgang, omdat hij “voor een groot deel was beperkt door het feit dat een van onze twee grootste partijen heeft besloten niet alleen aan de zijlijn te blijven staan, maar actieve vijandigheid te tonen ten opzichte van de klimaatwetenschap en klimaatverandering tot een partijkwestie te maken”.

Er zijn hier twee problemen: de kwaliteit van de klimaatwetenschap en de onmogelijkheid van de wetenschap om te dicteren welk beleid moet worden gevoerd.

Om met het tweede punt te beginnen: er bestaat geen lineair verband tussen wetenschap en overheidsbeleid, zoals Roger Pielke Jr. in zijn uitstekende boek The Honest Broker heeft opgemerkt. Bij de beoordeling van risico’s spelen economie, sociale factoren, ethiek en nog veel meer een rol en dat geldt ook voor beleidsontwikkeling. Er zijn veel vragen die de wetenschap niet kan beantwoorden en zoals wijlen de grote risicowetenschapper Mary Douglas het formuleerde:

Wanneer wetenschap wordt gebruikt om in deze omstandigheden te arbitreren, verliest zij uiteindelijk haar onafhankelijke status en net als andere hogepriesters die politiek met ritueel vermengen, diskwalificeert zij zichzelf uiteindelijk.

De klimaatwetenschap heeft al lang haar onafhankelijke status al lang verloren. Zij kan ons bijvoorbeeld niet vertellen wat het evenwicht moet zijn tussen mitigatie (maatregelen om klimaatverandering te voorkomen) en aanpassing (maatregelen om veilig en voorspoedig te leven in een warmer wordende wereld). Het zou moeilijk zijn een voorbeeld te vinden van een tak van de wetenschap die meer vatbaar is voor wat ik heb genoemd deugdzame (of nobele zaak) corruptie. Wetenschap vereist transparantie van gegevens en methoden en zoals Karl Popper het uitdrukte: het boekt vooruitgang door onenigheid. Wetenschappers zijn niet geneigd hun eigen fouten in te zien, dus is het belangrijk dat critici de basis van hun conclusies kunnen onderzoeken (voor een gedetailleerd onderzoek naar corruptie om nobele redenen, zie mijn hoofdstuk in Climate Change: The Facts 2020)

Twee korte voorbeelden van de veel voorkomende afwijking van de wetenschappelijke methode in de klimaatwetenschap illustreren mijn punt.

Toen de Australische scepticus Warwick Hughes toegang wilde krijgen tot de ruwe temperatuurgegevens van de Climate Research Unit van de Universiteit van East Anglia in het Verenigd Koninkrijk, schreef directeur Phil Jones aan Hughes:

We hebben zo’n 25 jaar geïnvesteerd in dit werk. Waarom zou ik de gegevens aan u ter beschikking stellen, als uw doel is om te proberen er iets fouts in te vinden?

Dit blijft een dieptepunt van anti-wetenschappelijke uitspraken die ik ooit ben tegengekomen. (Om het definitieve standpunt van de IPA over Phil Hughes, Climategate en de Australische connectie te zien, in het origineel Climate Change: The Factslees dan hier)

Mijn andere voorbeeld raakt de kern van de klimaatwetenschap die beweringen van een existentiële bedreiging ondersteunt, omdat het te maken heeft met de belangrijkste aanname van de klimaatmodellen, nl. dat een bescheiden klimaatdruk door een toename van kooldioxide de concentratie in de atmosfeer van waterdamp, het dominante broeikasgas, zal doen toenemen. Deze veronderstelling van positieve terugkoppeling is de basis waarop ‘De Wetenschap’ de oorspronkelijke opwarmingsprojectie van Svante Arrhenius van meer dan een eeuw geleden (die uitging van een opwarming van 1,2°C bij verdubbeling van de atmosferische CO2-uitstoot), heeft uitgebreid. In de projectie zou de opwarming een logaritmische curve volgen naar het uiteindelijke resultaat, omdat verzadiging van de atmosfeer met CO2 betekende dat elke opeenvolgende ton CO2 steeds minder opwarming veroorzaakte. (Arrhenius dacht dat enige opwarming gunstig zou zijn omdat het de volgende ijstijd zou afwenden, die er aan zat te komen en waarvoor wetenschappers in de jaren zeventig waarschuwden dat die snel zou komen).

Garth Paltridge, voormalig Chief Research Scientist bij CSIRO Atmospheric Research en twee coauteurs hebben de gegevens van de National Centers for Environmental Prediction (NCEP) over de troposferische vochtigheid voor de periode 1973-2007 opnieuw geanalyseerd en hebben in maart 2008 een artikel ingediend bij het Journal of Climate, waarin zij concluderen dat uit de NCEP-gegevens blijkt dat de terugkoppeling van waterdamp in de afgelopen 35 jaar eerder negatief dan positief is geweest. Zij stelden vast dat, indien dit patroon zich in de toekomst zou voortzetten, de terugkoppeling van waterdamp in het klimaatsysteem de temperatuurstijging ten gevolge van toenemende CO2 zou halveren in plaats van verdubbelen.

Het artikel werd geweigerd, met de nogal opmerkelijke verklaring van een scheidsrechter dat “

Het enige doel dat ik voor dit artikel zie, is dat de auteurs iets in de peer-reviewed literatuur krijgen dat de onwetenden kunnen citeren als steun voor een lagere klimaatgevoeligheid dan de standaardbandbreedte van het IPCC.

De redacteur die het artikel in het Journal of Climate afwees, was Andrew Weaver, die toevallig de leider was van de Groene Partij in Brits Columbia. (Het artikel werd vervolgens wel opgenomen door Theoretical and Applied Climatology.)

Mary Douglas beschrijft de situatie met activistische klimaatwetenschappers perfect, door te stellen dat om informatie als waar aangemerkt te krijgen deze

… een insigne moet dragen van loyaliteit aan het bepaalde regime dat de persoon steunt; de rest is verdacht, wordt opzettelijk gecensureerd of onbewust genegeerd.

Dit verklaart waarom de door het IPCC gegenereerde consensus niet in twijfel wordt getrokken, vooral omdat degenen die daar vragen over stellen ‘ontkenners’ worden genoemd, het equivalent van Holocaust-ontkenners, en naar de intellectuele groene goelag worden gestuurd. En dus vragen kleine eilandstaten om hulp om hun zinkende naties te redden, ook al zegt de wetenschap dat de meeste van hen in werkelijkheid groeien; de klimaatmodellen zijn overweldigend warm; het aantal ernstige orkanen dat aan land komt, is afgenomen; de aarde is groener geworden door de voeding met kooldioxide; de oogst in India heeft een nieuw record gevestigd en het risico om te sterven als gevolg van een extreme weersgebeurtenis is minder dan 1% van wat het een eeuw geleden was.

De waarden die ten grondslag liggen aan de klimaatwetenschap zijn duidelijk die van het fin de siècle apocalypticisme. Vooral gezien de rol van de Club van Rome, sponsor van het neo-Malthusiaanse millenarisme van de jaren zeventig, in het helpen creëren van het gevoel van klimaatnood, is het toepasselijk om Thomas Babington Macaulay’s antwoord uit 1830 op Malthus’ Principle of Population te citeren:

Volgens welk principe is het dat, wanneer wij kijken en achter ons niets anders dan verbetering zien, wij vóór ons niets dan verslechtering kunnen verwachten?

De wetenschap vertrouwt al 500 jaar niet meer op consensus als basis voor verificatie, althans niet meer sinds Galileo in 1632 opmerkte:

In wetenschappelijke kwesties is de autoriteit van duizend de nederige redenering van een enkel individu niet waard.

Einstein maakte een soortgelijk punt met zijn weerwoord op het pamflet 100 Auteurs tegen Einstein:

Als ik ongelijk had, zou ééal voldoende zijn.

Het Amerikaanse Hooggerechtshof onderschreef in de Daubert-beslissing van 1993 op verheugende wijze de opvatting van Karl Popper over wat wetenschap is en oordeelde dat we de betrouwbaarheid van wetenschappelijke informatie in feite moeten beoordelen aan de hand van de vraag of deze een falsifieerbare hypothese (een theorie of stelling die kan worden weerlegd) kan genereren en toetsen.

De ‘consensus‘ die het IPCC tot stand heeft gebracht, is het resultaat van een politiek proces dat tot doel had een consensus tot stand te brengen; deze hij is niet het resultaat van een open strijd tussen hypothesen en waarnemingen, zoals men zou mogen verwachten van een wetenschappelijke consensus die in de loop van de tijd tot stand is gekomen.

En dan nog kan een dergelijke consensus verkeerd zijn – getuige het voortbestaan van de onjuiste theorie dat maagzweren het gevolg zouden zijn van stress en niet van bacteriën. Andersdenkenden worden gewoon niet meer uitgenodigd en het hele IPCC-proces is vergeven van de goed gedocumenteerde kwaliteitsproblemen. (Zo heeft IPA Senior Fellow, John Abbot, aangetoond dat wetenschappelijk onderzoek dat wijst op de invloed van variabele en/of cyclische zonneactiviteit op het klimaat, duidelijk werd uitgesloten van het meest recente rapport van het IPCC om het beeld van de gewenste consensus te beschermen, lees hier).


De officiële klimaatmodellen zijn onontkoombaar fictieve werken en in meer of mindere mate onbetrouwbaar. Ze zijn misschien beter in het voorspellen van de toekomst dan het lezen van de ingewanden van kippen, maar ze blijven onbetrouwbaar. Een gefabriceerde wetenschappelijke consensus, gebaseerd op toekomstmodellen in plaats van op waarnemingen, kan de Barack Obama’s van de wereld van dienst zijn, maar is geen gezonde basis voor de radicale herstructurering van economieën en samenlevingen.

Over de auuteur

Aynsley Kellow is emeritus professor of government, Universiteit van Tasmanië, en een speciale correspondent voor het Institute of Public Affairs over COP26 en Net Zero. Dit is zijn bijdrage aan het dagelijkse COP 26 Bulletin van het IPA, waarop u zich hier kunt abonneren.

Bron hier.

***