Het was in Honningsvåg, Noorwegen, niet ver van de Noordkaap.
6-11-2026 Simon Rozendaal
Die ‘slechte staat van de natuur’ is een verdienmodel geworden
Het was in Honningsvåg, Noorwegen, niet ver van de Noordkaap. Ik stond op een steiger en zag vlak voor mijn neus een geelbruin, groot beest behendig door het donkere water van de fjord schieten. Mijn eerste otter.
De Joodse Omroep had een aardige reportage over Spinoza waardoor tot me doordrong dat de Joods-Amsterdamse filosoof uit de zeventiende eeuw met zijn uitspraak dat God en de natuur hetzelfde zijn, niet God wilde degraderen maar de natuur wilde promoveren. Toen dacht ik terug aan Honningsvåg en besefte dat dat een sacrale ervaring was. Die stilte, het heldere water, dat wonderbaarlijke wezen (hij leek op Gollem uit de Lord of the Rings-films), een van de noordelijkste plekjes op aarde, de zilte geur, ik was even een met het al.
Welnu, dit hoogtepunt van de schepping is terug in de vaderlandse dreven.
Nederland kent weinig wildernis
De otter was hier even uitgestorven. In 1988 werd de laatste doodgereden. Mede, althans volgens Natuurmonumenten, door de vervuiling met polychloorbifenylen (pcb’s). Robert Zwiers, hoofd impact van het Wereld Natuur Fonds, jubelde vorige maand dat de otter echt helemaal terug is. ‘Door schoner water, het verbinden van leefgebieden en het herintroduceren van otters, doen ze het hier nu weer goed.’
Een ecoloog die beaamt dat het goed gaat met de natuur alhier, waar doet dat aan denken? Inderdaad, een witte raaf.
Nederland is dichtbevolkt en hooggeïndustrialiseerd. We hebben weinig wildernis en onland. Wie die randvoorwaarde accepteert, kan niet anders dan constateren dat het tamelijk goed gaat met de natuur. Het glas is halfvol.
Vloeken in de groene kerk
De gepensioneerde Wageningse onderzoeker Henri Prins schreef uit ergernis over alle doemverhalen van zijn collega’s twee rapporten waarin hij aantoont dat de Nederlandse natuur sinds 2000 herstelt. Journalist Robert Ellenkamp maakte een documentaire (Natuur houdt zich niet aan natuurbeleid) waarin een stuk of zes natuurliefhebbers met een flinke staat van dienst – zoals Henk Rampen, die lang regiomanager voor Natuurmonumenten was – de loftrompet steken over de staat van de natuur.
Dat was vloeken in de groene kerk. Dr. Sander Turnhout, ‘expert in biodiversiteit’ zoals hij zichzelf omschrijft, werkzaam bij de ecologische organisatie SoortenNL en geregeld fulminerend in De Groene Amsterdammer over zielige beestjes, voelde zich zo in zijn kuif gepikt dat hij al voor hij de film had gezien, aankondigde dat het onzin was en hij deze bagger niet ging bekijken.
Waarom worden ecologen boos wanneer andere deskundigen zeggen dat het glas halfvol is? Het is deels territoriale afbakening: ik ben een echte ecoloog, jij niet. Daarnaast gaat het om geld. De stelling dat het slecht gaat met de natuur, brengt geld in het laatje: beurzen voor onderzoekers, abonnementen voor milieugroepen, subsidie voor ecologen die een heikikker willen verplaatsen of ‘nieuwe natuur’ willen aanleggen.
Waterkwaliteit
Het is rupsje-nooitgenoeg. Eerder dit jaar, bij de opening van het European Congress of Conservation Biology, pleitte de congresvoorzitter ervoor dat 1 procent van het bruto binnenlands product aan natuurbescherming moet worden besteed, tienmaal zoveel als Nederland nu uitgeeft (1,5 miljard).
Die zogenaamd slechte staat van de natuur is een verdienmodel.
Dat zie je terug bij de verwarrende verhalen over de waterkwaliteit. Een onbetwistbaar feit is dat die een halve eeuw geleden dramatisch was. In 1962 waren er daardoor nog maar 3.500 broedparen van de blauwe reiger. In 1970 werd de wet Waterverontreiniging oppervlaktewateren van kracht. Volgens de Vogelbescherming Nederland is daar de spectaculaire opmars van de blauwe reiger aan te danken. Inmiddels zijn het er 11.000 tot 12.000 en staan ze te bedelen bij patatkramen.
Subsidie voor ecologen
Maar ja, ecologen hebben subsidie nodig en geven niet snel toe dat het pico bello gaat. En dus heeft Nederland een andere meetmethode ingevoerd. Het Compendium voor de Leefomgeving legde het vorig jaar uit. ‘Pas als alle kwaliteitselementen goed scoren, is de waterkwaliteit volgens de Kaderrichtlijn Water goed.’ Heeft uw kind een rapport met tien achten en negens plus één vijfje, dan blijft het zitten. Dit schurkt aan tegen sjoemelen.
Van de otter krijgt ons water een 10 met een griffel. Er zijn er inmiddels weer tussen de 400 en 500.
Elsevier
0 reacties :
Een reactie posten