Door Jan van  Friesland.

U kent nog wel de slogan ‘iedereen moet de energietransitie kunnen meemaken’. Deze ideologie was bedoeld als sociaal vangnet. In de praktijk is zij voor links een politieke val geworden: een belofte van inclusie die, omdat de energierekening en de pompprijs stijgen, klinkt als een opdracht om mee te betalen aan een verandering die veel mensen niet hebben gekozen.

De formulering komt uit het jargon van de sociaal-democratische en bestuurlijke klimaatpolitiek. Het kabinet schreef de zin al in 2021 op: nadruk op begrijpelijk beleid en economische kansen. Provincies en adviesorganen herhaalden dat idee later als ‘inclusieve energietransitie’: iedereen moet kunnen meedoen, meeprofiteren en niet worden buitengesloten, de hele modieus-bestuurlijke tralala.

De intentie oogde aanvankelijk sympathiek. Het woord ‘iedereen’ belooft dat de warmtepomp, isolatie, zonnepanelen en elektrische auto niet alleen voor de hogere inkomens zijn. Het zegt: de transitie mag geen privileges worden voor wie al een goed geïsoleerd huis, een oprit en spaargeld heeft. We moesten maar denken: Sinterklaas deelt uit, ook aan de armen.

Maar de slogan heeft een verborgen draai. ‘Iedereen moet kunnen meemaken’ betekent in de politieke praktijk al snel: iedereen moet dus mee. En meedoen kost geld, tijd, kennis en vertrouwen. Voor wie een oude cv-ketel heeft, in een slecht geïsoleerde woning woont of afhankelijk is van een benzineauto, klinkt dat niet als uitnodiging, maar als een afrekening.

Het klimaat zelf doet ook nog een duit in het zakje: er is helemaal geen crisis.

Links wilde met deze formule voorkomen dat klimaatbeleid een project van de welvarende middenklasse zou worden. Dat was een juiste diagnose. Het probleem is dat de oplossing te veel in de taal van ‘participatie’ werd gegoten.

‘Meedoen’ veronderstelt keuzevrijheid. Maar een huurder kan geen isolatie regelen; een gezin met een oud huis kan niet zomaar een warmtepomp financieren; een forens zonder alternatief voor de auto kan niet ‘gewoon’ overstappen. De SER constateert dan ook dat verduurzamen voor veel huishoudens en kleine ondernemers te duur, te ingewikkeld of te onzeker is, en dat niet iedereen kan of wil meedoen.

Daarmee verandert de betekenis van de mantra. Wat begon als recht op bescherming — niemand mag buitenboord vallen — wordt ervaren als plicht om aan te passen. De burger hoort niet: wij zorgen dat jij kunt meekomen, maar: jij zult wel mee moeten, en wij regelen nu wel even wel hoe & wat.

Deze val wordt scherper naarmate de kosten concreter worden. Vanaf 2028 gaat het Europese systeem ETS2 CO₂-beprijzing toevoegen aan aardgas, benzine en diesel. Het PBL schat dat een gemiddeld huishouden in 2030 10 tot 70 euro per maand extra kan betalen voor verwarming en brandstof, afhankelijk van de CO₂-prijs en het verbruik. ABN AMRO rekende met een CO₂-prijs van 59 euro per ton op 194 tot 364 euro extra per jaar voor een gemiddeld huishouden met gasketel en benzineauto.

Voor iemand met een gasrekening, een oudere auto en weinig financiële ruimte is het een directe aanslag op het huishoudboekje.

Rechts kan dit te verfoeien gedachtenspinsel moeiteloos kraken. Niet met een ingewikkelde analyse van emissiehandel, maar met één zin: jullie moeten betalen voor een transitie die jullie helemaal niet kunt veroorloven. Cirkel rond.


Dat is politiek giftig, omdat men daarbij niet eens hoeft te bewijzen dat klimaatbeleid de enige oorzaak is van hoge energieprijzen. Het volstaat dat mensen de heffing ervaren als nog een extra last bovenop een al te hoge energierekening. Geopolitiek helpt zo een handje. In die zin zijn de hoge energieprijzen een zegen voor rechts. En het klimaat zelf doet ook nog een duit in het zakje: er is helemaal geen crisis.

***