‘The Consensus Trap: How Manufactured Agreement Corrupts Policy’.
17-10-2026
Autopsie van de klimaat’hoax’
Het Amerikaanse Hoover Intitute heeft onlangs een working paper uitgebracht getiteld: ‘The Consensus Trap: How Manufactured Agreement Corrupts Policy’.
Auteurs: Steven E. Koonin, Scott W. Atlas, en Terrence Keeley.
De verhandeling beslaat 48 (!) bladzijden.
Hieronder volgen enkele hoofdstukken uit het rapport, in het bijzonder met betrekking tot de klimaat’problematiek’.
Samenvatting
We beschrijven een patroon dat gemeenschappelijk is voor drie van de meest ingrijpende mislukkingen in het overheidsbeleid van de afgelopen twee decennia: de financiële crisis van 2008, het beheer van de COVID-19-pandemie en de campagne voor snelle decarbonisatie.
Hoewel deze betrekking hebben op zeer verschillende sectoren, delen ze een gemeenschappelijke pathologie die we de consensusval noemen. Elk van deze mislukkingen komt voort uit een samenwerking van machtige instellingen en leiders die een consensus creëren die niet door de feiten wordt ondersteund.
We volgen elk geval van de consensusval door hetzelfde tijdsverloop: de consensus wordt verkondigd, geloofwaardige tegenargumenten worden onderdrukt, het beleid mislukt en er is geen verantwoording. Het mechanisme dat ten grondslag ligt aan de consensusval is in elk geval opvallend uniform: snelle acceptatie van gebrekkige voorspellingsmodellen, agressieve diskreditering van geloofwaardige kritiek op de geaccepteerde visie, een campagne van media- en politieke versterking en een regressief effect van de kosten van de mislukking.
Hoewel er verschillen zijn tussen de drie gevallen, suggereert de dynamiek die deze gevallen gemeen hebben dat de consensusval zal toeslaan waar complexe data en grote beleidsbelangen samenvallen.
Institutionele en maatschappelijke hervormingen kunnen dit minder waarschijnlijk maken. Bewustzijn van de consensusval is bijzonder belangrijk in het licht van een herziening in 2025 van het Referentiehandboek van het Federale Gerechtelijk Centrum over Wetenschappelijk Bewijs, dat “wijdverspreide acceptatie” koppelt aan de hoogste vorm van wetenschappelijke zekerheid. Die koppeling zou de verwarring tussen een gecreëerde consensus en een consensus die is verdiend door kritisch debat over bewijsmateriaal, kunnen institutionaliseren binnen de federale rechtbanken.
***
4. De gefabriceerde klimaatconsensus
De campagne om de uitstoot van broeikasgassen snel terug te dringen is wellicht het meest ingrijpende en langlopende beleidsprogramma van de drie die we hier bespreken. Het is bovendien het kostbaarste: er zijn biljoenen dollars aan kapitaal mee gemoeid, die zijn ingezet voor een algehele herstructurering van energiesystemen wereldwijd. De campagne is gebaseerd op een vermeende consensus over de gevaren van menselijke invloed op het klimaat, en op de overtuiging dat de beoogde energietransitie zowel haalbaar als gunstig zou zijn.6
4.1. De consensus zoals die wordt gepresenteerd
Kooldioxide en andere broeikasgassen houden uitgaande infraroodstraling tegen, waardoor de onderste lagen van de atmosfeer opwarmen. Menselijke activiteiten – in de eerste plaats het verbranden van fossiele brandstoffen – hebben het CO₂-gehalte in de atmosfeer doen stijgen van ongeveer 280 deeltjes per miljoen (ppm) aan het begin van de industrialisatie naar bijna 430 ppm vandaag de dag. Sinds het eind van de negentiende eeuw is de aarde met ongeveer 1,1°C tot 1,2°C opgewarmd, waarbij menselijke uitstoot aan deze opwarming heeft bijgedragen. Deze bevindingen zijn wetenschappelijk vaststaand.
De ‘consensusval’, die op dit fundament is gebouwd, omvat verstrekkende beweringen over de mate waarin de aarde zal opwarmen naarmate de menselijke invloed toeneemt, de gevolgen van die opwarming voor ecosystemen en samenlevingen, en de maatregelen die daartegen genomen moeten worden. Deze beweringen worden gepresenteerd met een stelligheid die niet wordt ondersteund door de onderliggende wetenschap of de techno-economische realiteit van de energiesector.
Er is in feite sprake van twee op elkaar voortbouwende vormen van consensus. De eerste betreft de klimaatwetenschap: het idee dat verslechterende weersomstandigheden aantonen dat we het klimaat op aarde al hebben ‘ontwricht’, en dat catastrofale gevolgen onvermijdelijk zijn tenzij er drastische maatregelen worden genomen.
De tweede vorm van consensus betreft de maatschappelijke reactie: de aanname dat een snelle reductie van de uitstoot in feite pijnloos zal verlopen, met slechts bescheiden transitiekosten en aanzienlijke bijkomende voordelen die breed merkbaar zullen zijn. Beide standpunten getuigen van een overmoed die niet door het bewijsmateriaal wordt gestaafd.
Ze zijn afgedwongen via dezelfde institutionele mechanismen en hebben geleid tot mislukkingen waarvan de werkelijke kosten pas nu langzaam duidelijk worden.
‘Klimaatactie’ wordt al lange tijd gekenmerkt door een spanning tussen de uitgesproken overtuiging en het feitelijke bewijsmateriaal. In een interview met het tijdschrift *Discover* in oktober 1989 – een periode waarin de moderne klimaatcampagne vorm begon te krijgen – beschreef de klimatoloog Stephen Schneider van Stanford het dilemma waar wetenschappers voor stonden die maatschappelijke actie wilden uitlokken: om de verbeelding van het publiek te prikkelen was media-aandacht nodig, en om die te krijgen, moesten wetenschappers “angstaanjagende scenario’s presenteren en vereenvoudigde, dramatische uitspraken doen”, terwijl ze hun eigen twijfels nauwelijks benoemden.
Hij noemde dit een ethisch dubbelprobleem: elke wetenschapper moest voor zichzelf een balans zien te vinden tussen effectief zijn en eerlijk zijn. Hoewel Schneider hoopte dat beide zaken verenigbaar zouden zijn, hebben de instituten die zich bezighouden met klimaatbeoordeling in de decennia daarna dit dubbelprobleem resoluut in één richting opgelost – en een handhavingsapparaat opgezet om die situatie in stand te houden.
De afgelopen drie decennia is de klimaatconsensus vormgegeven, verspreid en afgedwongen door een complexe institutionele architectuur, bestaande uit onderling verbonden wetenschappelijke beoordelingsorganen, overheden, intergouvernementele organisaties, beroepsverenigingen, media en belangennetwerken. De voornaamste autoriteit hierin is het Intergovernmental Panel on Climate Change (IPCC),
***
Voetnoot
6 Voor een gedetailleerdere beschrijving van de klimaatconsensus dan hier mogelijk is, zie Judith Curry’s *Climate Uncertainty and Risk* (2023), in het bijzonder hoofdstuk 2, en het essay van Richard Lindzen uit 1995, “Science and Politics: Global Warming and Eugenics”, waarin hij de klimaatconsensus vergelijkt met de eugeneticabeweging van de twintigste eeuw.
***
wiens *Sixth Assessment Report* (AR6, 2021–2023) momenteel als de gezaghebbende bron geldt. In de Verenigde Staten fungeert de *National Climate Assessment* – waarvan de meest recente editie (NCA5) in 2023 verscheen – als een vergelijkbare autoriteit.
De consensus die door deze instituties is gecreëerd, kent verschillende lagen van toenemende onzekerheid. Het staat vast dat door de mens veroorzaakte emissies een opwarmend effect hebben op de planeet. De geconstrueerde consensus berust echter op uiterst onzekere aannames over de mate waarin een bepaald CO₂-gehalte tot opwarming zal leiden, hoe snel dit zal gebeuren, hoe de opwarming regionaal verdeeld zal zijn en wat de gevolgen daarvan zullen zijn.
De zogenaamde *equilibrium climate sensitivity* (ECS) – de evenwichtsklimaatgevoeligheid – geeft een indicatie van de omvang van deze onzekerheid. Dit begrip staat voor de wereldwijd gemiddelde temperatuurstijging die zou optreden bij een aanhoudende verdubbeling van de atmosferische CO₂-concentratie. Volgens het AR6-rapport ligt de ECS “waarschijnlijk” tussen 2,5°C en 4,0°C, met een schatting van 3,0°C als meest waarschijnlijke waarde. De volledige bandbreedte die door de wereldwijde klimaatmodellen wordt bestreken, loopt echter uiteen van ongeveer 1,8°C tot 5,6°C.
Met andere woorden: zelfs als de toekomstige emissies bekend zouden zijn – wat ze niet zijn – dan nog variëren de voorspelde temperatuurstijgingen tussen geloofwaardige modellen met een factor drie; de onzekerheden wat betreft regionale opwarming zijn zelfs nog groter.
Een bijkomende complicatie is dat schattingen van de ECS, gebaseerd op instrumentele temperatuurmetingen en paleoklimatologische gegevens, steevast lager uitvallen dan de waarden die uit klimaatmodellen naar voren komen. Er bestaan kwalitatieve verschillen tussen een klimaatgevoeligheid (ECS) van 2°C en een van 4°C, die in beleidsmatige zin om wezenlijk andere reacties zouden vragen. Die nuance verdwijnt echter grotendeels in het publieke en politieke debat.
De derde laag van de consensus betreft de projectie van toekomstige gevolgen van opwarming voor ecosystemen en samenlevingen. Hiervoor is het nodig om toekomstige emissies in kaart te brengen; de wetenschappelijke gemeenschap heeft daartoe een reeks scenario’s opgesteld die het spectrum van aannemelijke toekomstbeelden bestrijken. Het meest extreme scenario dat door het IPCC wordt gehanteerd – *Representative Concentration Pathway* (RCP) 8.5 – gaat uit van een vervijfvoudiging van het kolenverbruik tegen 2100, waarbij nauwelijks gebruik wordt gemaakt van koolstofarme energietechnologieën.
Dit onwaarschijnlijke scenario duikt echter het vaakst op, zowel in de wetenschappelijke literatuur als in de publieke beeldvorming. De meeste alarmerende projecties die het publieke debat bepalen (zoals extreme zeespiegelstijging en de intensivering van stormen en hittegolven), zijn gebaseerd op modelberekeningen die uitgaan van dit RCP 8.5-scenario – een detail dat doorgaans weggestopt zit in technische bijlagen die voor beleidsmakers en journalisten ontoegankelijk zijn. Pas zeer onlangs zijn de meest extreme emissiescenario’s officieel als verouderd of ongeschikt bestempeld.
De vierde laag van de consensus staat het verst af van de natuurwetenschappen en brengt daardoor nog meer onzekerheid met zich mee. Het gaat hier om zogenaamde *integrated assessment models* (IAM’s), die vereenvoudigde klimaatmodellen combineren met economische modellen om de “maatschappelijke kosten van koolstof” en optimale beleidstrajecten te berekenen. De schadefuncties die de kern vormen van deze modellen – ofwel: hoe schadelijk is een bepaalde temperatuurstijging precies? – zijn, zo geven economen in dit vakgebied ruiterlijk toe, slechts in beperkte mate gebaseerd op feitelijke waarnemingen. Bovendien zijn de uitkomsten van IAM’s zeer gevoelig voor de gehanteerde verdisconteringsvoet: een keuze die bepaalt welk gewicht toekomstig welzijn krijgt in verhouding tot het heden. Afhankelijk van de gekozen uitgangspunten kan de berekende optimale koolstofprijs met wel een factor tien verschillen.
Deze vier lagen van consensus – de fysica van opwarming, klimaatgevoeligheid, effectprojecties en schaderamingen – kennen een toenemende mate van onzekerheid. Toch worden deze onzekerheden in de ‘Samenvatting voor Beleidsmakers’ van het IPCC, in de berichtgeving in de media en in politieke uitspraken vaak samengevoegd tot één ogenschijnlijk gezaghebbende bewering: dat er een catastrofe op handen is.
Het rapport van Werkgroep I van het zesde evaluatierapport (AR6) werd op 9 augustus 2021 gepubliceerd, waarbij de belangrijkste bevindingen werden geformuleerd in de door het IPCC gehanteerde terminologie voor waarschijnlijkheid. De secretaris-generaal van de Verenigde Naties presenteerde het echter aan de wereld als een “code rood voor de mensheid”.
Deze uitdrukking was afkomstig van de secretaris-generaal zelf; ze komt nergens in het rapport voor, maar vormde desondanks de kern van de berichtgeving in vrijwel alle grote media. Dergelijke misleidende voorstellingen zijn het gevolg van institutionele, mediale en politieke prikkels die stelselmatig de voorkeur geven aan alarmisme boven nauwkeurigheid.
.Een daarmee samenhangende, gecreëerde consensus betreft de maatschappelijke respons die nodig is om de dreiging van klimaatverandering het hoofd te bieden. In sommige opzichten is deze consensus nog zelfverzekerder dan de wetenschap die zij naar eigen zeggen respecteert. Volgens deze opvatting is het snel vervangen van fossiele brandstoffen door technologieën voor hernieuwbare energie technisch gezien eenvoudig. Bovendien zou het economisch voordelig zijn: de bescheiden kosten zouden snel worden terugverdiend door brandstofbesparingen, gezondheidsvoordelen en de creatie van ‘groene’ banen.
Op die manier wordt de ‘energietransitie’ gepresenteerd als een kans in plaats van als een opoffering.
De belofte van een gunstige en vrijwel pijnloze energietransitie is door menig overheidsfunctionaris concreet uitgesproken, maar is in de praktijk maar al te vaak onjuist gebleken. Zo verzekerde de Duitse minister van Milieu, Jürgen Trittin, huishoudens in 2004 ervan dat een consumentenheffing ter ondersteuning van hernieuwbare energie hen “slechts ongeveer één euro per maand” zou kosten – “de prijs van een bolletje ijs”. Zijn opvolger, Norbert Röttgen, verklaarde in 2012 – op basis van een haalbaarheidsstudie van de overheid – dat de transformatie van het Duitse energiesysteem niet alleen haalbaar was, maar zichzelf ook zou terugverdienen. Soortgelijke toezeggingen, gedaan door functionarissen op vergelijkbaar hoog niveau, zijn overal in de westerse wereld te horen geweest bij het aangaan van transitieverplichtingen.
De kosten voor het opwekken van zonne- en windenergie zijn inderdaad spectaculair gedaald. Maar die kosten hebben uitsluitend betrekking op de opwekking van elektriciteit op momenten dat de zon schijnt of de wind waait. Ze houden geen rekening met de kosten voor het integreren van hernieuwbare bronnen in een systeem dat elektriciteit met een hoge mate van betrouwbaarheid moet leveren. De kosten voor het opvangen van fluctuaties in hernieuwbare energie – die fors oplopen naarmate intermitterende bronnen dominanter worden – blijven in het politieke discours meestal buiten beschouwing.
Ook al te optimistische aannames over technologie houden de consensus over de energietransitie in stand. Hoewel de kosten voor batterijen aanzienlijk zijn gedaald, blijft het seizoensgebonden vraagstuk – de discrepantie tussen het aanbod uit hernieuwbare bronnen en de elektriciteitsvraag gedurende de verschillende seizoenen – een uitdaging die opslagcapaciteit op een schaal en tegen kosten vereist die ver buiten de grenzen van realistische prognoses liggen. De doelstelling uit het Akkoord van Parijs om de opwarming tot 1,5°C te beperken, is onhaalbaar zonder grootschalige technologieën voor het verwijderen van kooldioxide uit de atmosfeer – technologieën die vooralsnog niet bestaan op een schaal of tegen kosten die relevant zijn voor de praktijk. Dat doel heeft in de praktijk gefunctioneerd als een politieke verbintenis, ondersteund door de veronderstelling van toekomstige technologische redding, in plaats van een operationeel doel gebaseerd op beschikbare middelen.
Media en niet-gouvernementele organisaties die kritiekloos zowel de klimaat- als de transitieconsensus versterken door het onderscheid tussen gevestigde wetenschap en technologie en betwiste projecties te vervagen. De berichtgeving over het klimaat neigt naar apocalyptische taal zoals ‘klimaatnoodtoestand’ of ‘existentiële dreiging’, die het alarmerende einde van de onzekerheidsmarges afschildert als de meest waarschijnlijke uitkomst. De twee consensussen versterken elkaar: immers, als het gevaar existentieel is en de oplossing pijnloos, handelt iedereen die een van beide in twijfel trekt impliciet te kwader trouw.
4.2. Het onderdrukte afwijkende geluid
Klimaatwetenschap is al zo lang een politiek strijdtoneel met grote belangen, dat het onderdrukken van afwijkende meningen ongebruikelijk goed gedocumenteerd is – bijvoorbeeld in institutionele correspondentie en getuigenissen voor het Amerikaanse Congres. Wetenschappers die dit van nabij hebben meegemaakt, hebben er bovendien persoonlijk verslag van gedaan.
De meest ingrijpende gedocumenteerde episode is ‘Climategate’: het uitlekken in 2009 van e-mails tussen vooraanstaande wetenschappers van de Climatic Research Unit van de University of East Anglia. De discussies over de wijze waarop werd omgegaan met verzoeken in het kader van de *Freedom of Information Act* (FOIA) wijzen erop dat men zich ervan bewust was dat er zaken speelden die gênant, zo niet ongepast, waren. Er werd zelfs gesproken over het weren van afwijkende wetenschappelijke artikelen uit IPCC-rapporten en over het uitoefenen van druk op redacteuren van tijdschriften die onwelgevallige bevindingen publiceerden. In één e-mailwisseling werd voorgesteld om “de definitie van peer-reviewed literatuur te herzien” teneinde ongewenste publicaties uit te sluiten, terwijl in een andere discussie werd gesproken over manieren om ervoor te zorgen dat het werk van een bepaalde wetenschapper “nooit gepubliceerd zou worden”.
De wetenschappers uit de e-mailcorrespondentie werden uiteindelijk vrijgepleit van wetenschappelijk wangedrag. De onderzoeken richtten zich echter uitsluitend op de specifieke vraag of er sprake was van het fabriceren van data; de bredere vragen die door de e-mails werden opgeroepen, bleven buiten beschouwing. Vragen zoals: was er sprake van een gecoördineerde poging om het wetenschappelijk debat te sturen? En viel het doelbewust aantasten van de reputatie van critici binnen de normen van open wetenschappelijk onderzoek?
Dergelijke onderdrukking vindt in feite nog steeds onverbloemd plaats. Zo concludeerde een in 2022 gepubliceerd, door vakgenoten getoetst artikel in *The European Physical Journal Plus* dat “de klimaatcrisis . . . nog niet evident is”. Deze conclusie werd onderbouwd met een eenvoudige analyse van officieel erkende datasets. Hoewel die conclusie in lijn is met diverse uitspraken in het meest recente beoordelingsrapport van het IPCC, werd het artikel onder druk van degenen die de consensus bewaken, ingetrokken.7
Onderdrukking is bovendien verankerd in het formele proces van het IPCC. De ‘Samenvatting voor beleidsmakers’ (*Summary for Policymakers*) – de documenten die de berichtgeving in de media en het politieke debat aansturen – wordt regel voor regel onderhandeld door overheidsvertegenwoordigers. Zij hebben een groot belang bij de beleidsimplicaties van de gebruikte bijvoeglijke naamwoorden en bijwoorden. Het resultaat is dat deze samenvattingen stelselmatig alarmerender zijn dan de onderliggende rapporten van de werkgroepen. Richard Tol, een vooraanstaand milieu-econoom en hoofdauteur van het vijfde evaluatierapport (AR5) van het IPCC, trok zich terug uit het schrijfproces van het rapport en legde publiekelijk vast wat hij omschreef als systematische druk in de richting van alarmisme.
Vier individuele gevallen illustreren dit patroon.
Richard Lindzen, emeritus hoogleraar atmosferische wetenschappen aan het MIT, heeft diverse fundamentele bijdragen geleverd aan de atmosferische dynamiek. Lindzen stelt al lang dat klimaatmodellen overgevoelig zijn, omdat ze terugkoppelingsmechanismen van wolken en waterdamp onjuist weergeven. Zijn publieke uitspraken over het overmatige zelfvertrouwen in de klimaatwetenschap kostten hem de institutionele status die hij op basis van zijn wetenschappelijke prestaties verdiende. In een brief uit 2017, ondertekend door meer dan twintig collega’s van de faculteit aardwetenschappen aan het MIT, probeerde de universiteit zich te distantiëren van zijn standpunten. De brief gaat echter op geen enkel punt in op de inhoud, maar beroept zich enkel op de consensus.
Judith Curry is voormalig hoofd van de School of Earth and Atmospheric Sciences aan Georgia Tech en fellow van de yAmerican Meteorological Society. Zij schaarde zich aanvankelijk achter de consensus, totdat ze zich publiekelijk kritisch begon uit te laten over wat zij beschouwde als een systematisch overmatig vertrouwen in de projecties van het IPCC. Omdat Curry weigerde haar eigen inschatting van de wetenschappelijke zekerheid te verdraaien, kreeg ze te maken met georganiseerde professionele vijandigheid; ze werd zelfs bestempeld als iemand die “stelselmatig desinformatie verspreidt”. In 2017 verliet Curry de academische wereld, waarbij ze verwees naar de “totale focus op de IPCC-consensus” binnen het vakgebied en de “carrièrezelfmoord” die een onderzoeker riskeert zodra deze die consensus in twijfel trekt.
John Christy van de University of Alabama in Huntsville beheert, samen met Roy Spencer, de belangrijkste onafhankelijke satellietgebaseerde dataset van de wereldwijde atmosferische temperaturen sinds 1979. Deze dataset laat consequent zien dat de tropische middelste troposfeer aanzienlijk langzamer opwarmt dan de klimaatmodellen voorspellen.
Dit is precies het soort systematische discrepantie tussen voorspelling en observatie die Richard Feynman aanwees als de beslissende toets voor een theorie. De aanhangers van de consensus hebben echter gereageerd door de onwelgevallige satellietgegevens ter discussie te stellen, in plaats van de modellen kritisch te herzien.
Roger Pielke jr. heeft aangetoond dat genormaliseerde economische verliezen door extreem weer geen duidelijke stijgende lijn vertonen die aan klimaatverandering kan worden toegeschreven. Daarnaast heeft hij vastgesteld dat de sterke afhankelijkheid van het RCP 8.5-scenario een vertekend beeld geeft van de verwachte gevolgen van klimaatverandering. De bevindingen van Pielke jr. riepen wetenschappelijke discussie op en leidden – opmerkelijk genoeg – tot een formele klacht bij het Office of Scientific Integrity, ingediend door voorstanders van de heersende consensus. In 2015 eiste een lid van het Amerikaanse Congres dat de universiteit van Pielke jr. onderzoek zou doen naar zijn vermeende “verkeerde voorstelling” van de wetenschap.8
4.3. Het daaruit voortvloeiende falen
Omdat zowel klimaat- als energiesystemen zich over decennia ontwikkelen, voltrekt het falen van de klimaatconsensus zich niet plotseling – in tegenstelling tot wat we zagen bij de kredietcrisis of de COVID-pandemie. Niettemin zijn er al diverse problemen zichtbaar.
Een belangrijke en toetsbare voorspelling van de gangbare klimaatmodellen betreft het opwarmingspatroon in de tropische troposfeer; dit is een structureel kenmerk van het mechanisme achter de door broeikasgassen veroorzaakte opwarming. Helaas blijkt de waargenomen opwarming – gebaseerd op vier decennia aan satelliet- en radiosondegegevens – aanzienlijk (en hardnekkig) lager te liggen dan de resultaten uit de modellen.
Trends in extreem weer zijn veel minder eenduidig dan men op basis van berichtgeving in de media of politieke debatten zou verwachten. Pielke Jr. en anderen hebben vastgesteld dat er geen sprake is van een langetermijntrend naar boven wat betreft de genormaliseerde economische schade door orkanen, overstromingen en andere extreme gebeurtenissen. En hoewel de zogenaamde ‘attributiewetenschap’ – die probeert te bepalen in hoeverre menselijk handelen de kans op specifieke extreme gebeurtenissen heeft vergroot – regelmatig persberichten uitbrengt met stellige causale beweringen, is de gehanteerde methodologie daarvoor eigenlijk niet toereikend.
De onzekerheden rondom emissiescenario’s komen duidelijk naar voren in de projecties voor de zeespiegelstijging. Hoewel de stijging van de afgelopen decennia geen ongebruikelijke patronen vertoont, voorspelt het AR6-rapport van het IPCC voor het jaar 2100 een stijging die varieert van minder dan een halve meter (bij scenario’s met verregaande mitigatie) tot meer dan een meter (bij scenario’s met een hoge uitstoot). In de publieke communicatie wordt een vertekend beeld van de wetenschappelijke stand van zaken gegeven: men benadrukt stelselmatig de uiterste waarden aan de hoge kant van het spectrum, zonder daarbij te vermelden dat deze afhangen van het RCP 8.5-scenario.
De kloof tussen de gerealiseerde emissiereducties en het daadwerkelijke effect op het klimaat vormt wellicht het grootste falen van de klimaatconsensus. Emissiereducties zijn meetbaar, en in diverse ontwikkelde economieën – waaronder de VS en het VK – is de uitstoot de afgelopen decennia inderdaad gedaald. Dit heeft echter enkel geleid tot een vertraging van de stijging van de atmosferische CO₂-concentratie, die elk jaar opnieuw recordniveaus bereikt. De klimatologische gevolgen van die bescheiden vertraging zijn onwaarneembaar; ze zijn simpelweg te gering om te kunnen worden onderscheiden van natuurlijke variabiliteit. De heersende consensus maakt gebruik van deze verwarring door de behaalde emissiereducties voor te stellen als een werkelijke bijdrage aan klimaatverandering.
Het duurde slechts tien jaar om de consensus over een snelle en pijnloze energietransitie te ontkrachten. De Duitse toeslag voor hernieuwbare energie – die Trittin destijds vergeleek met de prijs van een bolletje ijs per maand – steeg sinds 2004 met meer dan een factor tien, voordat deze uiteindelijk van de energierekening van huishoudens werd verplaatst naar de federale begroting. In 2013 waarschuwde minister van Milieu Peter Altmaier publiekelijk dat de kosten van de transitie tegen het einde van de jaren dertig zouden kunnen oplopen tot een biljoen euro. In feite pakte het Duitse *Energiewende*-programma vrijwel precies anders uit dan beoogd: de elektriciteitsprijzen voor consumenten behoren tot de hoogste van alle vergelijkbare economieën, en steenkool blijft een belangrijke energiebron in Duitsland. Ondertussen wist Frankrijk, waar de stroomproductie grotendeels op kernenergie leunt, de CO2-intensiteit sterker te verlagen tegen aanzienlijk lagere kosten.
Praktijkervaringen met het elektriciteitsnet hebben de betrouwbaarheidsrisico’s van hernieuwbare energiebronnen blootgelegd. Een onderzoek naar de oorzaken van de geplande stroomonderbrekingen in Californië in augustus 2020 wees uit dat de planning van de energievoorziening geen gelijke tred had gehouden met de scherpe daling van de zonne-energieproductie in de avonduren. Dit was precies de uitdaging waar de NERC diezelfde zomer al voor had gewaarschuwd. Twee jaar later, tijdens een extreme hittegolf in september 2022, stond de staat opnieuw aan de rand van stroomuitval. Een herhaling werd voorkomen door dringende oproepen tot energiebesparing, de inzet van ruim 3000 megawatt aan batterijcapaciteit die in de tussentijd was gerealiseerd, en aardgascentrales die tijdens de piekuren ongeveer twee keer zoveel stroom leverden als alle hernieuwbare bronnen bij elkaar. Ook in Europa kwamen de energiesystemen in 2021–2022 onder vergelijkbare druk te staan. Dit waren voorspelbare gevolgen van bekende tekortkomingen in het systeemontwerp. De heersende consensus weerhield ingenieurs in de energiesector er echter van om hier publiekelijk over te spreken.
Ook is in diverse economieën vastgesteld dat de kosten van de energietransitie ongelijk verdeeld zijn. Stijgende energieprijzen treffen huishoudens met een lager inkomen het hardst; in het Verenigd Koninkrijk is ‘energiearmoede’ zelfs uitgegroeid tot een aanzienlijk volksgezondheidsprobleem. Hoge energieprijzen dragen nog steeds bij aan de deïndustrialisering van Europa, met gevolgen voor de werkgelegenheid die zich vooral concentreren in de arbeidersklasse.
4.4. De verantwoording die uitbleef
Omdat klimaat- en energiesystemen traag veranderen, kunnen de meest ingrijpende beweringen binnen de klimaatconsensus – in tegenstelling tot situaties rond kredietcrises of de COVID-pandemie – niet worden getoetst binnen een tijdsbestek dat relevant is voor beleidsvorming.
De architecten en voorstanders van de klimaatconsensus kunnen verantwoording daardoor telkens decennialang voor zich uitschuiven. De “Himalaya-blunder” vormt een van de zeldzame gevallen waarin een bewering uit de consensus daadwerkelijk werd weerlegd. In het vierde beoordelingsrapport van het IPCC uit 2007 werd gesteld dat de kans “zeer groot” was dat de gletsjers in de Himalaya “tegen het jaar 2035, of wellicht eerder, zouden verdwijnen”. Deze bewering was niet gebaseerd op wetenschappelijke literatuur die een collegiale toetsing (peer review) had ondergaan, maar op een rapport van een belangenorganisatie dat op zijn beurt weer verwees naar een speculatief tijdschriftinterview.
Rajendra Pachauri, de toenmalige voorzitter van het IPCC, deed een gezaghebbende analyse uit 2009 die deze bewering tegensprak af als “voodoo-wetenschap”. Toch trok het IPCC de uitspraak enkele weken later in en erkende het dat de eigen beoordelingsprocedures hadden gefaald. Deze rectificatie had echter geen enkele persoonlijke of institutionele consequentie. Pachauri bleef nog vijf jaar in functie en het beoordelingsproces werd slechts marginaal aangepast.
De weinige verantwoording die in het klimaatdebat wél is afgelegd, is op een perverse wijze verdeeld. Degenen die met grote stelligheid overdreven beweringen verspreidden, kregen daarvoor geen enkele institutionele sanctie, terwijl degenen die juist eerlijk spraken over de aanwezige onzekerheden, daarvoor met hun carrière moesten boeten. Dit is een volstrekte omkering van wetenschappelijke normen.
Wat energie betreft: de architecten en voorstanders van de Duitse *Energiewende*, van besluiten in de westerse wereld om kernenergie uit te faseren, en van de al te optimistische kostenramingen die aan deze besluiten ten grondslag lagen, zijn nooit ter verantwoording geroepen voor de schadelijke gevolgen.
Nochtans waren deze gevolgen voorzienbaar – en werden ze ook daadwerkelijk voorspeld – op basis van fundamentele technische principes. De prijs werd betaald door de bevolking: mensen verloren hun baan in de productiesector of konden hun energierekening niet langer betalen.
Het gebrek aan verantwoording in klimaatkwesties komt ook tot uiting in de problemen met de *Reference Manual on Scientific Evidence* van het *Federal Judicial Center*, waar in de inleiding al naar werd verwezen. Momenteel lopen er meer dan duizend klimaatgerelateerde rechtszaken bij zowel deelstaat- als federale rechtbanken. Eisers proberen bedrijven in de fossiele brandstoffensector aansprakelijk te stellen voor klimaatschade, met als rechtvaardiging wat “de wetenschap” vaststelt. Het Center heeft begin 2026, na een brief van de procureurs-generaal van diverse staten, zijn ‘Reference Guide on Climate Science’ uit het nieuwe handboek verwijderd, maar het hoofdstuk waarop deze gids was gebaseerd, is gebleven.
De gangbare ‘Daubert-standaard’ toetst onder meer of een theorie is getest, of deze door vakgenoten is beoordeeld (peer review), wat het foutpercentage is en of de theorie algemeen aanvaard is binnen de relevante wetenschappelijke gemeenschap. Wanneer deze standaard wordt toegepast op de specifieke kwantitatieve beweringen in dergelijke rechtszaken – waaronder schattingen van klimaatschade via geïntegreerde beoordelingsmodellen (IAM’s) en toeschrijvingsanalyses van specifieke gebeurtenissen – komt een aanzienlijke mate van onzekerheid aan het licht.
Het nieuwe hoofdstuk in het handboek pretendeert niet dit toetsingskader te vervangen; er wordt gesteld dat consensus “geen vereiste is voor toelaatbaarheid”. Omdat er echter een verband wordt gelegd tussen brede acceptatie en “het hoogste niveau van zekerheid dat de wetenschap kan bieden”, zou een rechter de uitkomsten van een ‘consensus-mechanisme’ evenveel gewicht kunnen toekennen als de onderliggende natuurkundige principes. Dit brengt het risico met zich mee dat de verwarring tussen ‘gefabriceerde’ consensus en ‘verdiende’ consensus – die in alle drie de besproken zaken tot de geschetste tekortkomingen heeft geleid – institutioneel verankerd raakt. Betere wetenschappelijke praktijken en institutionele structuren zouden deze valkuil kunnen vermijden door eerlijkheid professioneel haalbaar – in plaats van professioneel fataal – te maken.
***
Bron hier,
***

2 reacties :
Stikstof is nu defensie alle macht grijpt ineens geen belemmering?
De bankencrisis, de Corona Pandemie, nu weer het idiote Klimaatverhaal hebben alleen als doel de bevolking te verarmen, steeds meer te controleren, zie de schrikbarende toename van de energie en water verslindende Data Centers. Het invoeren van digitaal geld wat grote problemen met zich meebrengt vanwege de controle van de Overheid op uw geld en bij een crisis op het stroomnet. (Hoe te betalen zonder stroom?) Het bijdrukken van honderden miljarden Euro's niet bestaand geld kan ook nooit goed blijven gaan en als de bom barst hebben de aandeelhouders van de banken hun schaapjes wel op het droge, de mensen die een klein spaarcentje op de bank hebben zijn de pineut. (zie Cyprus)
Kortom, het huidige systeem zal als een kaartenhuis en elkaar donderen met zeer grote financiële en maatschappelijke gevolgen voor de gewone man en vrouw.
Een reactie posten