Sinds de islamitische revolutie van 1979 regeert het Iraanse regime met harde hand.
Hoe gek is Nederland geworden?

(Door: Rob Kern)
Wat ik hier schrijf, geldt niet alleen voor Nederland, maar voor een groot deel van Europa – met misschien enkele uitzonderingen zoals Hongarije en Slowakije. Het gaat over een merkwaardige ontwikkeling in ons publieke debat: het onvermogen om agressieve regimes te benoemen voor wat ze zijn, terwijl democratische bondgenoten steeds vaker worden neergezet als de boosdoeners.
Wie de beelden ziet van Iraniërs – in Iran zelf, maar ook in diaspora-gemeenschappen in Europa en Amerika – ziet iets opvallends. Op straat roepen mensen leuzen tegen het regime. Op muren verschijnen teksten waarin Iraniërs hun hoop uitspreken dat de wereld eindelijk iets doet tegen de ayatollahs. In verschillende steden komen Iraniërs samen, zwaaiend met Amerikaanse, Israëlische en Iraanse vlaggen. Zij zijn opgelucht dat er eindelijk landen zijn die het regime in Teheran confronteren.
Dat sentiment komt niet uit de lucht vallen. Sinds de islamitische revolutie van 1979 regeert het Iraanse regime met harde hand. Protesten worden bloedig neergeslagen. Tienduizenden burgers zijn in de afgelopen decennia gedood, honderdduizenden verwond of gevangengezet.
Tegelijkertijd heeft Iran een netwerk opgebouwd van gewapende organisaties in het Midden-Oosten. Hamas in Gaza, Hezbollah in Libanon en de Houthi-militie in Jemen ontvangen financiële, militaire en ideologische steun uit Teheran. Deze zogenaamde ‘proxies’ vormen een essentieel onderdeel van de geopolitieke strategie van Iran.
Daarbij komt een ideologische component die in Europa vaak wordt onderschat. Binnen de radicale revolutionaire ideologie van het regime speelt de verwachting van de terugkeer van de twaalfde imam – de Mahdi – een belangrijke rol. In sommige interpretaties wordt een groot conflict met Israël zelfs gezien als onderdeel van dat apocalyptische scenario. Niet voor niets staat er in Teheran een klok die aftelt naar de vernietiging van Israël.
Wanneer een regime met zulke ideeën tegelijkertijd probeert nucleaire wapens te ontwikkelen, ontstaat een situatie die voor veel landen existentieel gevaarlijk is.
En toch verloopt de discussie in Nederland vaak op een bijna surrealistische manier.
In televisieprogramma’s en in opiniestukken – bijvoorbeeld van strategisch analist Rob de Wijk in NRC – ligt de nadruk vrijwel uitsluitend op de vraag of Israël en de Verenigde Staten het internationaal recht zouden hebben overtreden. Alsof dat de kern van het probleem is.
Natuurlijk is internationaal recht belangrijk. Maar wanneer een regime openlijk spreekt over de vernietiging van een ander land, terrorisme financiert en zijn eigen bevolking onderdrukt, dan wordt het morele kompas wel erg scheef als alle aandacht uitgaat naar mogelijke juridische fouten van de landen die dat regime proberen te stoppen.
Wie tegenwoordig naar sommige Nederlandse talkshows kijkt, krijgt soms de indruk dat Israël en de Verenigde Staten de agressors zijn en dat Iran vooral een slachtoffer van geopolitieke spanningen is. Het is een beeld dat steeds verder verwijderd raakt van de werkelijkheid in het Midden-Oosten.
Het gevolg is een vreemde paradox. Terwijl veel Iraniërs hopen dat internationale druk hun regime kan verzwakken, zien we in Nederland demonstraties waarin tienduizenden mensen zich fel tegen Israël keren.
De rol van de media speelt hierin een grote rol. In de berichtgeving van publieke omroepen en in een deel van de kranten wordt Israël vaak vooral neergezet als de partij die militair optreedt. Veel minder aandacht is er voor de context van jarenlange raketaanvallen, terreurorganisaties en de openlijke dreiging van vernietiging door Iran.
Daardoor ontstaat een narratief waarin Israël de agressor lijkt en de regimes die het land bedreigen slechts reageren op omstandigheden. Het is een vorm van morele verwarring die steeds sterker lijkt te worden in Europa.
Daar komt nog een tweede ontwikkeling bij: de manier waarop in Nederland naar de Verenigde Staten wordt gekeken. In de media wordt Donald Trump vrijwel dagelijks belachelijk gemaakt. Zijn beleid wordt vaak afgeschilderd als gevaarlijk of onverantwoordelijk.
Maar wie naar de geopolitieke realiteit kijkt, kan ook een andere interpretatie geven.
Onder de regering-Biden werd de oorlog in Oekraïne steeds verder gemilitariseerd. Wapens, raketten en steeds zwaardere systemen werden geleverd, terwijl een diplomatieke oplossing nauwelijks dichterbij kwam.
Volgens veel analisten zou een andere benadering – waarbij ook rekening wordt gehouden met de historische realiteit van de Krim en de Russischtalige gebieden in de Donbas – misschien sneller tot een einde van het conflict kunnen leiden.
Europa lijkt daarentegen vaak eerder geneigd om de oorlog te verlengen dan om een compromis te zoeken.
Ook in het Midden-Oosten zien we een verschil in benadering. Waar Washington onder Biden vaak voorzichtig opereerde, zou een Amerika onder Trump veel duidelijker positie kiezen tegen Iran en zijn netwerk van milities.
Voorstanders van die koers menen dat een harde lijn tegenover Teheran niet alleen Israël beschermt, maar ook een dienst is aan de Iraanse bevolking die al 47 jaar onder een repressief regime leeft.
Wanneer men al deze ontwikkelingen naast elkaar legt, ontstaat een ongemakkelijke vraag.
Hoe kan het dat zoveel mensen in Europa – en ook in Nederland – meer wantrouwen lijken te hebben tegenover hun eigen bondgenoten dan tegenover regimes die openlijk geweld, onderdrukking en destabilisatie exporteren?
Dat brengt mij terug bij de vraag waarmee dit artikel begon:
Hoe gek is Nederland geworden?
Door:
Rob Kern
(voor www.ejbron.wordpress.com)
1 reacties :
https://www.youtube.com/watch?v=qveqayhxSwI
Zilver is de kanarie in de mijn en de mijn is de financiële markt.
Als zilver geen waarde heeft of niet van belang is dan zal de prijs wel dalen.
Dus binnen nu en een jaar is zilver weer terug naar een waarde van 3 dollar.
En dan koop ik nog eens vele kilo`s als ik ze maar geleverd krijg.
Een reactie posten