Door Leonardo da Gioiella.

Eén van de dingen die ik in mijn vorige leven gedaan heb, was het bouwen van systemen. En als je dat niet goed deed en je kwam met iets terug waar “men niet om gevraagd had” dan gebeurde het wel dat ik in koor hoorde: en dat noemen ze systeem?

Ik heb daar iets aan overgehouden. Als van een werkende, ogenschijnlijke eenheid geen voorspelbaar effect uitgaat kun je niet van een systeem spreken. Ik weet, “systeemdenkers” zullen dat niet met me eens zijn. Maar de vraag blijft toch: hoe weet je dat je een systeem in je handen hebt. En, als er onvoorspelbare effecten komen, hoe weet je dan dat je het volledige systeem in je handen hebt?

En toch, wij spreken over systeem als we het over het weer hebben. Sterker, we spreken over niet één systeem, maar over twee, want we beschouwen klimaat ook als een systeem. Op dat weer, en op dat klimaat, zijn dan ook nog allerlei andere “systemen” van invloed – aardsystemen – en dat zijn heel wat grotten van Plato waar we op de wand een mimespel opgevoerd zien worden. En dat zijn heel wat papers waarin wordt geworsteld met de onderlinge effecten die van het botsen van die systemen uitgaat. En dat culmineert dan in papers waarin van al die systemen kantelpunten bespeurd worden, zoals het paper Exceeding 1.5°C global warming could trigger multiple climate tipping points (16 maar liefst, waaronder volgens mij ook non-climate tipping points als gevolg van een klimaatparameter).

Ik heb het hier al eens eerder over Paley en Hume gehad. Een dominee met een rotsvast geloof in God, en zijn werken in de natuur, en een filosoof/scepticus die die God als oorzaak afwees, en daarbij een metafoor hanteerde van een horloge dat ie tijdens een wandeling op de heide had gevonden: dan moest er iets anders dan God, een intelligent wezen – een mens dus, in de buurt zijn geweest. Eigenlijk niet zo handig van mij om dit in herinnering te brengen, want de hele troupe van klimatologen denkt: dit onverwachte klimaatgebeuren moet wel van mensenhand zijn. (En ik vertrouw Hume wel, maar die klimatologen niet.)

[Deze woorden zullen jullie bekend voorkomen, en dat klopt, ik heb daar al eerder van gesproken. Er zit hier en daar wat herhaling, maar dat is omdat ik me nu zekerder voel dan acht jaar geleden toen ik de climate wars ontdekte. Dus ik voel nu vastere grond onder mijn voeten, terwijl de klimatologie in al die jaren nog geen ene malle moer is opgeschoten. Vandaar dat ik met iets meer aplomb dingen durf op te schrijven.]

Lang geleden, heel lang geleden, kreeg een intelligent man een moeilijke vraag voorgelegd van zijn koning: ik heb hier een klomp goud, hoe weet ik zeker dat dat goud is? Archimedes, de intelligente man, kon er bijna niet van slapen – bij een koning kon je niet aankomen met: dat weet ik niet – en na een doorwaakte nacht nam ie een verfrissend bad … en jawel, dat hielp: zijn Eureka-moment. Hij sprong uit bad, in z’n nakie, rende de vertrekken van de koning binnen en gaf zijn meester de oplossing. (Waar zou de koningin geweest zijn op dat moment is dan een vraag waarover de geschiedenis weer zwijgt.)

Het is maar een verhaal, natuurlijk. Maar zo kan het toch ook met CO2 en de temperatuur gegaan zijn. James Hansen en Al Gore hebben er een lange dag op zitten, en besluiten dat ze wel een saunabezoekje kunnen doen. Michael Mann, die toevallig in de buurt is, mag ook mee. Op het bankje in het stoomhokje gezeten nemen ze nog even de dag door: Gore zegt dat ie net een nieuwe meting van Mauna Loa heeft binnen gekregen. Mann vertelt over zijn boomringen, met zo’n blik van als dat maar goed gaat. Hansen’s gezicht strak, mondhoeken naar beneden. Hoeveel zei je ook weer, Al? Die herhaalt de meetresultaten. En ineens overvalt de drie mannen een gevoel van grote urgentie. De hitte van de sauna misschien? Netwerkbeheerders zouden zeggen: ik schrok toch wel even. Een minister zou zeer geschokt zijn. Maar zo niet wetenschappers. Die voelen urgentie als ze iets meten, wat dan ook.

En ineens springen ze alle drie tegelijk op, rennen naar buiten, hun baddoeken glijden van hun heupen af … en daar rennen ze, in hun nakie, niet naar de koning of naar de president, neeh, naar de burelen van de bureaucraten om kond te doen van dat gevoel voor urgentie.

Teveel CO2 in de lucht! Gromt Hansen.
Als dat zo doorgaat verbranden we!! Roept Mann het uit.
Stoppen met die fossielen!!! Krijst Gore.
Ze halen er beleidsadviseurs bij. De pers wordt opgetrommeld. In no time gaat het woord de wereld door: als we niet oppassen verbranden we . Of we verzuipen – dat zal nog blijken uit de volgorde der dingen.

Overigens, niemand van de opgetrommelden had in de gaten dat daar drie zeer intelligente mensen piemelnaakt stonden. Dat is alleen aan enkele zeer ingewijden bekend gemaakt. Ik heb het ook maar horen fluisteren en ’t is voor ’t eerst dat ik het hier op durf te schrijven.

Nou ja, de rest is geschiedenis.

Het moest CO2 zijn. De rechte lijn, of de mogelijk kromme, of de wellicht gebroken lijn die het verband aangaf was nog even niet duidelijk … en is dat nog steeds niet. Maar één van de drie sloeg de angst om het hart.
» Hoeveel zei je dat er gemeten was?
» Driehonderdenzestig!
» Jemig kremig, wat moet dat worden met de temperaturen als het aantal deeltjes naar 540 gaat, het dubbele van wat normaal was.

En zo ontstond het raadsel der onleesbaarheid, door Karel van het Reve, zeer avant la lettre, al in 1978 voorspeld: hoe de verhouding tussen stijging van de hoeveelheid deeltjes CO2 in de atmosfeer en de laag-bij-de-grondse temperatuurstijging te lezen. Het ene in ppm, het andere in drie of vier cijfers achter de komma. En daarmee de angst: wat als dat gaat verdubbelen. En zo kregen we de wereld van de ECS.

Klimatologen gingen als ridders te paard, als in de tijd van King Arthur, op zoek naar die Holy Grail, in een steeds meer onheil spellende wereld. En medewerkers van het Max Planck Institut für Meteorologie (ook wel Klimaforschung genoemd) voorspelden, toen ik zo’n acht jaar geleden mijzelf in dit gebeuren stortte, dat het wel tot 2035 kon duren voordat ze daar enig zicht op kregen. Jeetje, meer dan 10 jaar op een paard door een steeds onherbergzamer wordende wildernis, op zoek naar de steen der wijzen.
En, zo bleek laatst, ook Hansen is nog steeds op zoek. En heeft de ECS voor alle zekerheid maar op 4.8 (ja, U leest het goed, vier punt acht) gesteld. Daar kan Guterres dan weer mee uit de voeten.

Daar werd wat op gevonden: modellen. De klimatologen hadden al modellen … sorry, meteorologen, het begrip klimatoloog kwam na de modellen: klimatoloog is een meteoroloog die de meteorologische data middels desk-research (lap top) omvormt tot climate change data. Voor climate data hoef je niet het veld in met een ballonnetje en een thermometertje, klimaat laat zich niet meten … de meteorologen hadden dus al modellen en toen zijn ze klimaatmodellen gaan maken. Een waar hoogstandje: het weer voorspellen is al moeilijk, maar wijzigingen in dertigjarige klimaatreeksen voorzien … poeh, ga er maar aanstaan. En state of the art hé. Deep learning models is een veelgehoorde kreet, als je tenminste je literatuur bijhoudt.

Voor deep learning heb je deep data nodig. En dat is er in een ongelofelijk hoeveelheid. Ik denk dat er geen wetenschap is die zulke gedetailleerde tijdreeksen heeft die zo goed gedocumenteerd zijn. Nou ja, tijdreeksen? Goed gedocumenteerd?

Ik weet niet of het de bedoeling is dat te suggereren, maar als ik een paper lees moet ik iedere keer weer expliciet denken: oh, wacht even, hieraan liggen geen werkelijke metingen ten grondslag. Er wordt ook wel gesuggereerd dat we een lange periode hebben van werkelijke metingen. Dat is waar. De eerste thermometer-meting dateert van drie eeuwen voor Christus. De precisiethermometer is andere koek. Dan hebben we het over zo’n 300 jaar geleden.

Een robuust netwerk van metingen is weer iets heel anders. Dat is er eigenlijk pas sinds de metingen met satellieten, en dat zijn weer geen rechtstreekse metingen, want daar zit een model tussen en kalibratie met echte thermometers. De temperatuur in de binnenlanden van Afrika hebben we echt niet voor de 19de eeuw van dag tot dag.

Daarnaast, wie een grafiek ziet van de temperatuur van een aantal miljoenen jaren of, misschien beter, gedateerd vanaf het begin van het vorige glaciaal, moet zich wel realiseren dat die temperaturen ook niet van dag tot dag bekend zijn, zelfs niet van jaar tot jaar. Er zitten behoorlijke gaten in die tijdreeksen.
En dat geldt echt niet alleen voor de temperatuur. Dat geldt voor alle meteorologische metingen.

En als vanzelf kwam toen natuurlijk die uiterst kritische vraag. Climate change: prachtig. Maar als je er niks van kon zien, en als je daar minstens dertig jaar op moet wachten voordat het met zekerheid vast te stellen is, hoe houd je dan het publiek bij de les?

En daar gebeurden twee dingen.

Eén: de journalisten en de klimatologen sloegen de handen ineen. Via Covering Climate Now (CCNow). Een beetje ellendeverhaal – en die zijn er genoeg in de hedendaagse wereld van de journalistiek – werd aan climate change gekoppeld. En dat beperkte zich niet tot stortbuien en bosbranden. CCNow stuurde medewerkers de wereld rond om de pen van de journalist vast te houden als ie weer bezig was met een stukje,

[to] build climate reporting confidence by participating in webinars and newsroom training programs throughout the year.

Zo kwam het dat, wanneer iemand in een recreatieplas verdronk tijdens een warme dag, die persoon als klimaatdode werd geteld.

Maar bovenal: twee. Het zou toch wel mooi zijn als je ook niet zulk leuk weer, denk aan stortbuien of zware stormen, aan climate change toe kon schrijven. En daar kwam World Weather Attribution, (WWA) een wereldwijde club van klimatologen die zich op een nieuw hoogstandje wierpen: je meet weer, en je mag, na enige statistische bewerkingen, concluderen: dit is klimaat! Nou ja, bijna dan, in ieder geval: climate change.

En plotseling werden de extremen belangrijk. En er gebeurde iets raars. Een model is toch niet meer dan een beetje ingewikkelde statistiek. Vandaar het Duitse woord: Hochrechnung. Maar, wat belangrijk is in statistiek is dat je de trend ziet. Daarom worden in statistische bewerkingen de extremen ook niet zichtbaar. Ze heten niet voor niks extreem.

Nu worden de extremen verklaard vanuit de abnormale normaliteit – ook wel de anomalieën genoemd.
Er is zelfs een Amsterdamse hoogleraar die dat inmiddels met een theorie … excuus: hypothese … durft goed te praten.

Er is gaande het traject toch al gefreewheeled met die data-massa. Een massa data van een chaotisch “systeem”. Enkele statistici deinzen er niet voor terug om te poneren – en ook wel te formuleren, en er zelfs wel vastigheid aan te knopen – dat er in chaos altijd wel orde te vinden is. Daar is inmiddels zelfs een Nobelprijs aan vergeven. En hupsakee, het voorspellen van het klimaat over honderd jaar is nu nog maar een fluitje van een cent.

Ik vermoed zo dat het “gelding” verlenen aan extremen en het “herkennen” van chaos niet voor niks in deze tijd is ontstaan. En dat dat niet zozeer een eenvoudig element is van de tijdgeest, maar dat dat een sine qua non was, Het was voor de tijdgeest van nu, waarin de door CCNow verkochte levensangsten reden en bevestiging moesten vinden, van onuitsprekelijk belang dat dit “sjoemelen” met data gelegitimeerd werd. Dan is een Nobelprijs een onmisbare hefboom.

Ik wil hier de overeenkomsten én de grote tegenstelling met een andere tak van wetenschap belichten. Evolutie. De eerste tegenstelling spreekt al boekdelen. Toen Darwin zijn theorie op papier had gezet, sprong ie niet uit bad om in zijn nakie, alsmaar roepend Ivegotit, Ivegotit, de Queen kond te gaan doen van zijn ontdekking. Nee, hij heeft het manuscript On the Origin of Species nog een paar jaar op zijn bureau laten liggen.

En dat is maar goed ook, want die wet van Archimedes staat nog steeds als een huis, maar het huis van Darwin heeft hier en daar wel wat verbouwing gekregen. Halverwege de vorige eeuw hebben de evolutiebiologen besloten tot een amendering van de theorie op basis van nieuwe inzichten: the Modern Synthesis. En, zo’n zestig jaar later, zijn er weer jonge honden die a New Evolutionary Synthesis eisen bij het evolutionistische establishment.

Het gebruik van dode data is een belangrijke overeenkomst. Klimatologie heeft een beetje hedendaagse data, maar dat is peanuts vergeleken met de data uit het verleden die een proxykarakter hebben: nooit gezien, nooit gemeten. Ook Evolutie moet het met onderzoek van dode materie doen. Zich in het nu manifesterende evolutie kun je niet aflezen aan levende materie. (Persoonlijk denk ik dat als de biologen de instelling van het clubje van Mann en Gore hadden, ze daar vast wel iets op zouden vinden, à la WWA.) En er is, vergeleken met de werkelijke metingen en de proxies die de klimatoloog tot beschikking staan, eigenlijk helemaal geen data voor de evolutionist. Jawel, er zijn laboratoriumproeven die evolutie zichtbaar maken. Er wordt gebruik gemaakt van statistiek. Ronald Fisher is de naam, een man die niet alleen de biologen heeft leren tellen – population genetics – maar ook de statistische basis gelegd heeft voor waar de klimatologen nu zo druk mee bezig zijn. Maar, vergeleken met de meteorologische data is het drie keer niks. Je kunt helaas de ontwikkeling van het oog – een geliefd punt bij de evolutionair ongelovigen – in het verleden niet stapje voor stapje volgen.

Daar staat tegenover dat je het evolutionaire materiaal wel weer rechtstreeks kunt meten – DNA – terwijl je temperaturen in het verleden af moet leiden (denk aan de boomringen van Mann). Helaas, ze lijken het tellen een beetje verleerd want door alle kantelpunten bang geworden zien ze nu het gevaar van extinctie voor zo’n beetje de halve schepping.

Als ik dit zo opgeschreven heb, en jullie dit zo lezen, is duidelijk waar het heen gaat: genoeg onzekerheid, dus genoeg onnauwkeurigheid, dus voldoende ambivalentie om tot verschillende deeltheorieën te komen.

En dat geldt voor beide disciplines: zowel voor Evolutie als voor Klimatologie. En daar laat de vreemde eend zich in de wetenschappelijke bijt zien: terwijl voor alle soorten van wetenschap geldt dat er onzekerheid is, zelfs bij wiskunde, is dat bij Klimatologie afwezig. Zeg maar: kaltgestellt.

Eigenlijk is het onbegrijpelijk dat, bij zoveel door verwering, én mishandeling getekende data (ook wel homogenisatie genoemd) er maar één richting in de klimatologie is. En dat die ook nog “settled” heet.
Terwijl klimaat toch niet veel meer is dan een trendlijntje van wat meteorologische data.


Ach, ik begrijp wel dat het aansluit bij de perceptie van de verwende twintigste-eeuwse mens. We houden er niet van dat wij en de zwarten, die we toch als slaaf hebben gekend, en waarvan je de kleur nog terugziet in gastarbeiders en migranten, een gemeenschappelijke voorouder hebben. Laat staan dat we het kunnen verteren dat dat een aap was. In Amerika speelt dat sentiment heel erg. Trouwens, dat niet alleen, ook met de slang, of met de wesp hebben wij een gemeenschappelijke voorouder, en dat stemt mij ook niet helemaal positief.

Daarentegen, we worden graag bang gemaakt, geen betere nachtrust dan een onrustige nachtrust. Dus theorietjes over natte tenen of een verbrande huid, ja, die gaan er in als zoete koek. En daar kun je ook geen twijfelzaaiers bij gebruiken – dat remt het gevoel van urgentie af. En wie wil er nou verzuipen, of, erger nog, zich als migrant moeten melden in Oost-Europa.

Of, godbetert, in Noord Afrika.

***