We moeten de energietransitie anders aanpakken en we hebben een voorbeeld

Datum:
  • dinsdag 7 maart 2017
  • in
  • Categorie: , , ,
  • Oproep aan de volgende regering. En aan alle politieke partijen die aan die regering willen deelnemen



    Speciale verkiezingsblog “Opinie & Debat” nr. 51 

                                                                             
                                                                                               


    Oproep aan de volgende regering 
    En aan alle politieke partijen die aan die regering willen deelnemen* 

    We moeten de energietransitie anders aanpakken en we hebben een voorbeeld  

    Prof. em. dr. Albert Koers 

    Ooit betoogde ik dat de energietransitie - de overschakeling van een energiesysteem gebaseerd op fossiele brandstoffen naar een systeem gebaseerd op hernieuwbare bronnen - zo belangrijk is dat er een speciale minister van energie zou moeten komen. Wat kan een mens zich vergissen! Want nu denk ik dat zo’n minister wel het laatste is wat we nodig hebben. 

     Het is vast en zeker al eerder en beter gezegd door anderen, maar als er één factor is die bepaalt hoe de mensheid zich op deze planeet ontwikkelt, dan is dat het systeem waarmee die mensheid de eigen spierkracht aanvult met energie uit andere bron: het energiesysteem dus. Ga maar na.
    • Toen we leerden de spierkracht van dieren te exploiteren, kon de mensheid de stap zetten van nomadische jager/verzamelaar naar sedentaire landbouw. En dat maakte steden, stedelijke elites, legers, veldtochten, kunst en cultuur mogelijk.
    • Toen we leerden de kracht van de wind te exploiteren, konden we niet alleen polders droogmalen, hout zagen en graan malen, maar konden we ook grote afstanden over zee afleggen. En dat maakte wereldomvattende handel, ontdekkingsreizen en veroveringen mogelijk.
    • Toen we leerden de kracht van fossiele brandstoffen te exploiteren, konden we de fabrieken en de transportsystemen inrichten die aan de basis liggen van wat we nu het “industriële tijdperk” noemen. En dat maakte onze wereld tot wat hij nu is.

    Het is zo’n simpel woord - “energietransitie” - maar we hebben het hier over een transformatie net zo groot en net zo ingrijpend als toen we dierkracht wisten te benutten en landbouwers werden; als toen we met zeilkracht een begin maakten met globalisering; en als toen we de energie uit fossiele brandstoffen wisten aan te wenden voor het bereiken van ongekende welvaart, van grote hoogten in wetenschap, kunst en cultuur en van de diepste dalen van oorlog en geweld.

    En dan zouden we het realiseren van een nieuw en radicaal ander energiesysteem - niet meer fossiel, maar hernieuwbaar - moeten afronden tussen nu en 2050? En dat dan ook nog eens volgens het spoorboekje van de Haagse en Brusselse politici en bureaucraten met te bereiken percentages van dit in 2020, van dat in 2030 en van 100% in 2050. En, o wee, als je je niet bekeert tot het scenario van dat spoorboekje want dan krijg je te maken met de “doordrukmacht” van de Rijksoverheid! Ik twijfel niet aan de goede bedoelingen van eenieder die de energietransitie op een plan- en projectmatige manier wil regelen, maar die aanpak miskent een fundamenteel aspect dat deze energietransitie gemeen heeft met alle vorige: het is een ingrijpend sociaal-maatschappelijk proces dat in hoge mate onvoorspelbaar en dus onbestuurbaar is.

    Plan- en projectmatig werken is prima, maar alleen als minimaal aan de volgende drie voorwaarden is voldaan: (1) de met het project te bereiken resultaten moeten bijdragen aan het realiseren van een toetsbare en realistische lange termijn doelstelling; (2) die lange termijn doelstelling moet kunnen rekenen op draagvlak bij de stakeholders van het project; en (3) de met het project te bereiken resultaten moeten realistisch zijn gegeven de externe omstandigheden waarin het project moet worden uitgevoerd. Is niet voldaan aan deze drie condities, dan zal een project waarschijnlijk mislukken, ofwel veel meer tijd en geld kosten dan gepland, ofwel met dwang en dwingelandij moeten worden doorgedrukt.                                          

    Plan- en projectmatig werken kan dus ook contraproductief zijn, ja zelfs het bereiken van de lange termijn doelstelling in gevaar brengen, vooral als het project moet worden doorgedrukt. En dat is exact wat dreigt te gebeuren met de manier waarop de overheid de energietransitie aanpakt.
    Voorwaarde 1. Wat door moet gaan voor lange termijn doelstelling is in feite niet meer dan politieke ambities: “14% duurzame energie in 2020”, “16 % idem in 2023”, “40% minder CO2 in 2030” en “100% duurzaam in 2050”. Niks mis met ambities, maar ambities zijn geen lange termijn doelstellingen want die moeten gebaseerd zijn op harde feiten en niet op politiek wensdenken.
     • Voorwaarde 2. Van een breed gedragen lange termijn doelstelling is geen sprake. Sterker, voor de meeste mensen is de energietransitie nog steeds een ver van zijn of haar bed show van politici. Weliswaar zijn er steeds meer mensen die in actie komen, maar daarbij gaat het vooral om groepjes pioniers zonder enige steun van de overheid. Want die richt zich bij voorkeur op het bedrijfsleven.
     • Voorwaarde 3. Als er geen lange termijn doelstellingen zijn, als er in de samenleving geen breed gedeelde overtuiging is dat we aan de slag moeten, dan kan het niet anders zijn dan dat de ambities van de overheid zijn gebouwd op drijfzand. Zo af en toe wijzen het Centraal Planbureau of het Planbureau voor de Leefomgeving daarop, maar kort daarna is het weer “business-as-usual”.

    Mijn conclusie: als de overheid ernst willen maken met de energietransitie, dan moeten regering en parlement de pretentie laten varen dat ze de energietransitie vanuit Den Haag kunnen ontwerpen en dan moeten ze erkennen dat we als samenleving die energietransitie met elkaar moeten gaan ontwikkelen.
    * Dat vergt een wezenlijk andere aanpak.
    • De focus van de besluitvorming van regering en parlement verschuift van korte termijn en politiek bepaalde ambities naar afgewogen en onderbouwde lange termijn doelstellingen.
    • Regering en parlement betrekken de samenleving intensief bij het definiëren van die lange doelstellingen en zien het scheppen van draagvlak als hun belangrijkste opgave.
    • De energietransitie wordt niet langer benaderd vanuit een beperkt economisch/technisch perspectief, maar ook vanuit een algemeen sociaal-maatschappelijk rationaliteit.

    Denk niet dat voor politici, bestuurders en ambtenaren de omschakeling van “ontwerpen” naar “ontwikkelen” eenvoudig zal zijn. “Ontwerpen” geeft een schijn van daadkracht (ook al komt er later maar weinig van terecht), terwijl het bij “ontwikkelen” soms afwachten is of en wat er uitkomt (maar wat er uitkomt staat meestal als een huis). Daarom is - bij nader inzien - die minister van energie een slecht idee want reken maar dat juist zo’n minister zal willen ontwerpen: hij of zij moet immers scoren want dat is waarop zijn of haar partij wordt afgerekend bij de volgende verkiezingen. De vraag is zelfs of Den Haag wel in staat is om te schakelen van “ontwerpen” naar “ontwikkelen”. Is dat niet vragen om het onmogelijke in een tijd waarin de media politiek en bestuur opjagen, waarin het vertrouwen van burgers in politici en bestuurders ongekend laag is en waarin er om de paar jaar weer verkiezingen zijn?*

    Toch: er zijn precedenten voor een andere aanpak van politieke besluitvorming met meer “ontwikkelen” en minder “ontwerpen”. Mooi voorbeeld van zo’n andere aanpak is de besluitvorming over de Deltawerken in het midden van de vorige eeuw. Ook een ingrijpende en urgente uitdaging.
    • Na de Watersnoodramp in 1953 was er maar één verlangen: dit nooit weer. Relevantie voor mijn pleidooi voor een andere aanpak: daarmee lag in feite de lange termijn doelstelling van de overheid en van de samenleving vast: voorkomen dat een dergelijke ramp zich ooit weer voor kan doen. Voor de energietransitie is er geen vergelijkbare doelstelling, maar bij wijze van suggestie: zo snel mogelijk overschakelen op hernieuwbare energiebronnen met behoud van welvaart en welzijn.
    • Regering en parlement installeerden vervolgens een “Delta Commissie” met de opdracht te adviseren over de vraag wat er concreet gedaan moest worden om de lange termijn doelstelling te realiseren. Relevantie voor mijn pleidooi: het “wat” werd dus niet bedacht via een politiek proces, maar door een gezelschap van onafhankelijke deskundigen. Essentieel verschil want in de huidige aanpak van de energietransitie is juist het “wat” de inzet van politieke discussies en besluitvorming.
    • De adviezen van de Delta Commissie werden voorgelegd aan regering en parlement. Relevant voor mijn pleidooi: regering en parlement beslisten, maar de input daarvoor kwam uit onafhankelijke en deskundige bronnen en niet - zoals nu met de energietransitie - uit de koker van de Haagse departementen en daaraan gelieerde adviesorganen. Ook een essentieel verschil want ambtelijke voorbereiding is niet onafhankelijk omdat het in een democratie altijd onderworpen is aan politieke sturing.
    • En ten slotte, in 1955 werd de “Deltadienst” opgericht als onderdeel van Rijkswaterstaat om er voor te zorgen dat de door regering en parlement goedgekeurde plannen uitgevoerd zouden worden. Relevant voor mijn pleidooi: het echte werk ter plekke werd gedaan door het bedrijfsleven, maar de regie lag bij een speciale Rijksdienst. Die stond weliswaar onder politiek toezicht, maar had ook een grote mate van autonomie vanwege de in die dienst samengebrachte deskundigheid.

     Pas dit model eens toe op de besluitvorming van regering en parlement over de energietransitie en dan zou een nieuw aanpak kunnen bestaan uit de volgende stappen.
    1. In dialoog met de samenleving bepalen regering en parlement de lange termijn doelstelling van het Nederlandse energiebeleid. Die doelstelling moet toetsbaar zijn en moet niet alleen het bedrijfsleven, maar ook burgers mobiliseren.
    2. Regering en parlement stellen een onafhankelijke commissie van deskundigen in om regering en parlement te adviseren over wat er concreet gedaan kan en moet worden om de lange termijn doelstelling te realiseren en over de vraag wat daarvoor aan middelen nodig is.
    3. De commissie werkt incrementeel en contingent (= “ontwikkelen”) en komt dus niet met één allesomvattend rapport (= “ontwerpen”), maar doet periodiek en met regelmaat voorstellen aan regering en parlement over te nemen maatregelen of te entameren projecten.
    4. Regering en parlement beslissen over de voorstellen van de commissie en de financiering daarvan en stellen voor de realisatie van goedgekeurde voorstellen een speciale Rijksdienst in die het bedrijfsleven aanstuurt en die burgerinitiatieven ondersteunt.
    5. Regering en parlement houden voortdurend de vinger aan de pols, evalueren de voortgang, passen zo nodig bij gewijzigde omstandigheden de lange termijn doelstelling aan en zetten zich consistent en intensief in om de gehele samenleving te mobiliseren.

    Dit alles is niet meer dan een (eerste) houtskoolschets, maar de verschillen tussen de huidige aanpak en de aanpak die ik bepleit zullen duidelijk zijn.
    Samenvattend: in de huidige aanpak zijn zowel de beleidsvoorbereiding en de beleidsbepaling, als de beleidsuitvoering politieke processen die gedomineerd worden door politici, bestuurders, ambtenaren en lobbyisten (met commerciële of ideologische belangen). Burgers staan hoogstens aan de zijlijn en voelen zich niet betrokken - terecht want ze worden buiten het spel gehouden. “Mijn” andere aanpak maakt een knip: in de beleidsvoorbereiding en in de beleidsuitvoering krijgen onafhankelijke deskundigen en burgers een expliciete en grotere rol, terwijl - en zo hoort het in een democratie - de beleidsbepaling in handen blijft van regering en parlement.

     Met die andere aanpak bouwden we de Deltawerken - laten we die aanpak ook inzetten voor de energietransitie. Beter voor de energietransitie, beter voor politiek en bestuur en beter voor burgers en bedrijfsleven.
    ______________________________________________________________

    * Dit is aflevering 1 van een korte serie speciale NLVOW blogs, elk drie pagina’s max. In aflevering 2 probeer ik aan te tonen dat een aan Stanford University ontwikkeld scenario voor een duurzame energietoekomst relevant is voor Nederland. De derde en laatste aflevering roept op om nog eens goed na te denken over de toekomst van één aspect(je) van de energietransitie: wind op land.


    * Over dit onderscheid: zie de publicaties van Jaap Boonstra, hoogleraar Universiteit van Amsterdam * Voor de gevolgen daarvan, zie David van Reybrouck, Tegen verkiezingen.



    1 reacties :

    h.oldeboom zei

    leuk stuk; alleen denk ik dat het niveau van 'ons' parlement geheel onvoldoende is om te kunnen oordelen over dot soort zaken.

    Een reactie plaatsen