Van een onzer correspondenten.

De regering presenteert het nieuwe energienoodfonds van één miljard euro als bewijs van sociale betrokkenheid in tijden van stijgende lasten. Gezinnen die hun energierekening niet meer kunnen betalen, krijgen tijdelijk verlichting. Maar achter dit gebaar schuilt een schrijnende tegenstrijdigheid: terwijl de overheid armlastige burgers te hulp zegt te schieten, houdt ze tegelijkertijd vast aan torenhoge energieaccijnzen die de nood juist veroorzaken.

Het noodfonds is geen structurele oplossing, maar een noodverband om de symptomen van een fout beleid te verzachten. Belasting op energie – ooit bedoeld als prikkel tot verduurzaming – fungeert nu als dekmantel voor begrotingspolitiek. De ongelijkheid zit ingebakken in de accijns zelf: die wordt per eenheid energie geheven, zonder oog voor inkomensniveau, woningkwaliteit of beschikbare alternatieven. Huishoudens met een laag verbruik maar een slecht geïsoleerde woning, of zonder toegang tot duurzame opties zoals warmtepompen of stadswarmte, betalen daardoor procentueel evenveel – soms zelfs meer – aan energiebelastingen dan beter gefaciliteerde gezinnen. Zo straft het accijnssysteem juist degenen die het minst kunnen kiezen — niet de grootste verbruikers, maar de minst bevoorrechten. De ecologische rechtvaardiging van het beleid verschuift zo langzaam richting sociale ongelijkheid.

Terwijl Nederland zijn burgers zo in een fiscale wurggreep houdt, koos Duitsland juist voor verlichting: de accijns op energie wordt tijdelijk verlaagd om huishoudens en het mkb ademruimte te geven.

AVRO-TROS:

‘In Duitsland is de kogel door de kerk: op heel korte termijn gaan de accijns op brandstof daar flink omlaag. Vooralsnog geldt deze maatregel voor een maand of twee. Voor Nederlandse ondernemers is dit de zoveelste klap. ‘Het gaat helemaal de mist in.’

Na weken van hevige ruzie heeft de Duitse regering aangekondigd de accijns op brandstof met 17 cent per liter te verlagen. Vooralsnog geldt deze maatregel voor een periode van 2 maanden. Aanleiding zijn uiteraard de sterke prijsstijgingen aan de pomp als gevolg van het conflict in het Midden-Oosten.’

In Duitsland begrijpt men inmiddels dat een klimaattransitie alleen kans van slagen heeft als de samenleving haar ook kan betalen. In Den Haag blijft men vasthouden aan een bijna dogmatische benadering – aangewakkerd door minister Jetten’s onvermoeibare klimaatdrift – waarin symboliek belangrijker lijkt dan uitvoerbaarheid. Het politieke moreel van de ‘klimaatdrammer’ weegt zwaarder dan de betaalbaarheid van warmte in een Fries rijtjeshuis of een Achterhoekse boerderij.

Dat wringt des te meer omdat het fonds gefinancierd wordt uit dezelfde schatkist die dankzij de accijnsinkomsten wordt gespekt. De overheid creëert dus eerst het probleem – hoge energiekosten – om vervolgens zichzelf te kunnen afficheren als de oplossing. Dit politieke kluwen vertoont een klassieke paradox: hulp als PR-instrument in plaats van beleid dat structureel ontlast.

Als men werkelijk begaan is met de burger, dan zou het logischer zijn de accijns tijdelijk te verlagen of progressiever te maken – waarbij grootverbruikers en vervuilers meer betalen, en huishoudens met laag inkomen minder. Dat zou niet alleen rechtvaardiger zijn, maar ook coherenter met de klimaatdoelen: verduurzaming zou niet gepaard moeten gaan met verarming.

Een miljard aan noodhulp mag op papier genereus lijken, maar het blijft symptoombestrijding binnen een systeem dat meer nood dan richting biedt. In plaats van het volk te compenseren voor een zelfgeschapen last, zou de regering beter investeren in structureel lagere lasten, energie-efficiëntie en een beleid dat niet langer morele superioriteit verwart met zinnig klimaatbeleid.

***